Billy Strayhorn

,,Al snel nadat ik me begon te verdiepen in het werk van Billy Strayhorn stuitte ik op een rare tegenspraak. In alle jazznaslagwerken wordt gezegd dat Strayhorn en Duke Ellington muzikale alter ego's waren, dat hun muziek naadloos in elkaar overliep. Maar Strayhorn zei ooit: `Ik begrijp niet waarom mensen het verschil tussen Ellington en mij niet horen, we zijn zulke verschillende componisten.' Uiteindelijk heb ik tien jaar gewijd aan het maken van stijlprofielen en het oplossen van het raadsel: wie heeft gelijk, de jazzencyclopedie of Strayhorn zelf?''

Vorige week promoveerde musicoloog Walter van de Leur aan de Universiteit van Amsterdam op een proefschrift over het werk van Billy Stayhorn (1915-1967), Duke Ellingtons vaste componist. Hij deed research bij de Duke Ellington Collection van het Smithsonian Institution te Washington DC, kreeg via Strayhorns neef toegang tot de papieren nalatenschap van de componist en bracht ruim honderd niet eerder uitgebrachte composities in kaart. Behalve in boekvorm kreeg het wetenschappelijke speurwerk ook zijn weerslag in vier cd's waarop het Dutch Jazz Orchestra een deel van het tot nu toe onbekende werk ten gehore brengt.

,,Al vrij snel werd duidelijk dat Strayhorn inderdaad erg verschilt van Ellington. Maar doordat het werk van beiden door de filter van het Ellington-orkest ging, kreeg het één, homogene klank. Bovendien luisteren de meeste mensen op de vierkante centimeter en daar verschillen de twee niet zoveel van elkaar. Het verschil is pas te zien als je naar het geheel kijkt.

,,Bij Strayhorn, die begon als klassiek pianist, zijn veel vormelementen te vinden uit het klassieke idioom. In zijn intro's presenteert hij het materiaal voor het stuk, het thema en de bewerking. Het zijn probleemstellingen in de trant van `wat zijn de mogelijkheden van dit akkoord of deze techniek'. Die thema's worden bij hem helemaal doorgewerkt; Strayhorn is echt een componist van de grote boog en de eenheid. Ellington, die begon als ragtime pianist, was meer iemand van de zogenaamde `harde montage'. Hij werkte met contrasten en sprong bij een modulatie abrupt over naar een nieuw idee.

,,De datering van veel van het materiaal dat ik vond, was moeilijk. Soms stonden er namen van muzikanten in de partituren, bijvoorbeeld `Ben solo'. Dan wist ik: Ben Webster, dat moet dus tussen februari 1940 en augustus 1943 zijn geweest. En je leert ook het handschrift dateren; de vroege Strayhorn schreef anders dan de late Strayhorn. Maar soms komt het neer op bijkomstigheden, de kleur van een bepaald pennetje dat hij in een specifieke periode gebruikte, de aanwezigheid van dezelfde waterschade in een stapel composities.

,,De partituren die ik bij de Strayhorn-familie in de kelder vond waren overigens niet meteen bruikbaar voor het Dutch Jazz Orchestra. Het was een soort muzikaal steno. Dingen als tempo, dynamiek, zelfs de hele ritmesectie stonden er niet in; die regelden Strayhorn en Ellington zelf wel tijdens de opnames. De vraag bij het invullen van die blinde vlekken is natuurlijk altijd wat precies de bedoeling is geweest. Nu was er één stuk dat ik heb uitgewerkt, Pentonsilic, waarvan ik er later achter kwam dat er twintig maten verwerkt zitten in Perfume Suite uit 1944. Toen ik het hoorde, bleek dat we er met onze interpretatie precies bovenop zaten. Maar misschien is dat minder onze verdienste dan die van Strayhorn. Zijn muziek speelt zichzelf.''

Walter van de Leur: Something to Live For, The Music of Billy Strayhorn (Oxford University Press, ISBN 0-19-512448-0)

The Dutch Jazz Orchestra: Portrait of a Silk Thread (Challenge, CHR 70089), You Go to My Head (Challenge, CHR 70090), So This Is Love (Challenge, CHR 70091), Something to Live For (Challenge, CHR 70092)