Wie nu leeft, dan zorgt

Onze welvaart wortelt in het begin van de jaren tachtig. Sindsdien zijn we er steeds beter op geworden, behoudens tijdelijke terugslagen. Voor veel mensen is deze overvloed niet zo bijzonder, omdat ze door hun leeftijd niet kunnen vergelijken met een periode waarin het slechter ging. Ze zijn gewend aan het goede leven. Waardoor ze wel eens te veel hooi op hun financiële vork nemen. Wie dan leeft, dan zorgt.

Je kan deze dooddoener door een kleine aanpassing nieuw leven inblazen: wie nu zorgt, dan leeft. We staan namelijk bloot aan risico's als ziekte en gebrek, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, ouderdomsgebreken, overlijden van de kostwinner(s), onderhoud van kinderen en behoeftigheid. Ons stelsel van sociale zekerheid probeert de ergste gevolgen van deze onheilen op te vangen.

Door alle voorspoed wordt het verschil tussen ons inkomen en de omvang van de sociale voorzieningen en verzekeringen alsmaar groter. Voorbeelden: de AOW blijft achter bij onze totale behoefte aan ouderdomspensioen, en de ziektewet, WAO en WW kennen een maximumuitkering. Daarnaast schroeft de overheid enkele voorzieningen terug. Bijvoorbeeld de Nabestaandenwet (Anw) die onder meer rekening houdt met iemands inkomen.

Het bedrijfsleven blijft niet achter. Neem de trend om het ouderdomspensioen terug te schroeven van volledig eindloon naar een regeling die neigt naar middenloon. Of de tendens om geen collectieve pensioenregeling meer op te zetten, maar werknemers geld te geven voor een individuele polis. Samen te vatten als flexibilisering en individualisering.

De conclusie uit het voorgaande moet luiden dat je beter dan voorheen op je zaakjes moet passen. Neem het risico van overlijden van de kostwinner(s). Is dat niet goed afgedekt, dan maken de nabestaanden een diepe val. Althans vergeleken bij hun welstand van vóór het overlijden. Ze blijven dus niet onverzorgd achter, maar ze moeten inleveren. Dat doet pijn, terwijl er een remedie bestaat om dit te voorkomen. Hoe ontstaat dit nabestaandenprobleem? Met name door het achterblijven van iemands oudedagsvoorziening (ouderdomspensioen) en door een risicovolle en onoverzichtelijke hypotheekconstructie. Zeg maar de inkomstenkant en de uitgavenkant.

Vaak is het nabestaandenpensioen voor weduwen of weduwnaars en wezen gekoppeld aan het te bereiken ouderdomspensioen. Het is er een percentage van. Veel werkenden beschikken om allerlei redenen niet over een volledig pensioen wanneer ze stoppen met werken. Daar wordt veel en zorgelijk over gesproken en geschreven, maar je hoort zelden iets over de daardoor achterblijvende pensioenen voor nabestaanden.

Die zorgeloosheid mis je ook in het fenomeen eerder stoppen met werken. Mannen rekenen zich suf om zo vroeg mogelijk te kunnen stoppen. Maar het gezin? Daar hoor je ze nooit over. Een actueel fenomeen is de inflatietoeslag (indexatie) op pensioenen. Nu meerdere regelingen dit jaar de pensioenen niet verhogen, blijven ook de nabestaanden met iets minder achter.

Aan de uitgavenkant vallen de royale, complexe hypotheekconstructies op. Nu alleen nog de hypotheekrente aftrekbaar is van het inkomen, trekken steeds meer huizenkopers hun leningen op om (exotisch) te beleggen bij hun hypotheek. Die wordt meer opgeblazen dan strikt nodig is. Je betaalt dus meer rente en de aflossingsverplichting gaat omhoog.

De rechtvaardiging van zo'n constructie is de wens van de kopers (en hun adviseurs) om de maandlasten te drukken. Men veronderstelt dat de kostwinner de rentelasten tot in lengte van jaren kan opbrengen. Op dat punt kan het mislopen als (meestal) de man voortijdig uitstapt. Wie brengt dan de lasten op. Hoe ontmantel je zo'n constructie? Er loopt natuurlijk een (gedeeltelijke) overlijdensrisicoverzekering bij de hypotheek, maar daarmee dek je het beleggingsrisico niet af. Je kan het zo stellen: bij ingewikkelde hypotheken zijn de gevolgen van overlijden vaak onvoldoende bekeken en afgedekt. Als je de risico's zou kennen, zou je toch voor een simpele financiering kiezen?

Hoe leid je dit in goede banen? Iedere nabestaande partner moet nagaan hoeveel geld zijn of haar huishouden na overlijden van de partner per jaar nodig heeft, voor de zeg komende tien jaar. Een deel daarvan komt uit het inkomen van die partner, uit de nabestaandenpensioenen en lijfrentepolissen, en wellicht uit de Anw. Dan resteert er een jaarlijks tekort. Dat kun je voor tien jaar terug rekenen naar een kapitaal. Voor dat kapitaal sluit iedere partner een tijdelijke overlijdensrisicoverzekering op het leven van de ander. Die kapitalen kunnen verschillen.

Een flinke overlijdensrisicoverzekering met een duur van 10, 15 of 20 jaar is een simpele en goedkope manier om de belangen van nabestaanden veilig te stellen. Wie nu zorgt, dan leeft.