Soms worden schedels met liefde gemeten

Veertig jaar lang, tussen 1901 en 1941, was Die Rassenschönheit des Weibes van dr. C.H. Stratz een bestseller. Een vergelijkend onderzoek naar de schoonheid van vrouwen uit alle delen van de wereld, met veel leerzame foto's van geheel of deels ontklede vrouwen, dat mocht in geen boekenkast ontbreken. Dr. Stratz had graag gezien dat elk ras het mooiste vrouwelijke exemplaar zou selecteren voor zijn metingen. Zodat hij op wetenschappelijk verantwoorde wijze zou kunnen concluderen dat de schoonheid van de Noord-Europese vrouw, met name die van Zeeuwsen en Friezinnen, onovertroffen is.

`Antro-porno' heet het werk van Stratz in de catalogus van de tentoonstelling De bril van Anceaux in het Leidse Rijksmuseum voor Volkenkunde, waar Die Rassenschönheit des Weibes helaas ontbreekt. Wel zijn er veel foto's, destijds door het museum uitgeleend, die Stratz heeft gebruikt voor zijn volgende bestseller, Naturgeschichte des Menschen (1904). Bijvoorbeeld de hierbij afgebeelde foto van de 27-jarige Noord-Australische Aboriginal Biliamuk, kunstenaar en politie-assistent, gemaakt in 1879. Alleen sneed Stratz de onderkant van de foto af, want mannelijke geslachtsdelen wilde hij de lezer besparen.

Verlangen naar exotisme, bevestiging van de blanke superioriteit en een vleugje erotiek maakten de volkenkundige fotografie tot een geliefd genre in de tweede helft van de 19de eeuw. Al snel na de uitvinding van de fotografie reisden fotografen naar de koloniën. Wegens de lange sluitertijden ging het aanvankelijk vooral om bouwwerken – de Borobodur, piramides van Gizeh – maar al snel werd het mogelijk mensen te portretteren. Fotografen gingen mee met expedities naar binnenlanden. Samen met geprepareerde dieren en planten werden de foto's verzameld in daarvoor opgerichte volkenkundige musea. Antropologie werd een zelfstandige wetenschap, de nieuwsgierigheid naar andere menstypen was groot.

Uit de rijke collectie van het Rijksmuseum voor Volkenkunde, zo'n 350.000 beelden uit de periode 1860-1945, koos Linda Roodenburg een kleine 500 foto's voor een zeer geslaagde exposite, even zorgvuldig samengesteld als gepresenteerd. Het zijn foto's met een dubbele afstand; niet alleen in plaats, ook in tijd zijn ze ver van ons verwijderd. Ook al zijn ze nog steeds exotisch, de afstand in tijd weegt nu zwaarder dan die in plaats. Fascinerend zijn de foto's vooral door de waarneming van toen. Ze zeggen meer over ons eigen verleden dan over andere culturen, meer over de fotograaf dan over de gefotografeerden.

Als symbool van de expositie koos het museum een foto van een Papoea die een van de Nederlandse taalkundige Anceaux geleende bril uitprobeert, tijdens een expeditie in 1959. Zo keek Europa naar de ander, en zo keek de ander terug, aldus het museum. Dat klopt niet helemaal. Toen en nu proberen fotograferende antropologen westerse elementen uit het beeld te weren omdat het de beoogde `authenticiteit' aantast. En zelden kijkt een geportretteerde zo olijk als deze Papoea, meestal is de blik leeg en lijdzaam. Het is wel een sterke foto, intrigerend omdat de man ondanks forse attributen in neus en oor en wellicht dankzij de bril zeer westers oogt.

Net als op de lopende tentoonstelling van VOC-foto's uit Nederlands-Indië en India in het Amsterdamse Rijksmuseum is gekozen voor een indeling naar fotograaf. Het tekent de emancipatie van volkenkundige fotografie dat de ordening niet langer thematisch is, naar afgebeeld onderwerp. Prachtig is de zaal met werk van professionals. Twee Russen springen er uit: Antoine Sevruiguin in Iran en Onnes Kurkdjian op Java. De ingekleurde foto's van Felice Beato uit Japan en C.E. Munyon uit China, zo fijn als schilderijtjes, maken begerig. Uit het werk van deze fotografen spreekt de liefde voor de mensen waartussen ze leefden.

Heel anders is dat bij de `wetenschappelijke foto's' voor rassenvergelijkend onderzoek. Hier maakt de empathische blik plaats voor kil gesjor met lichamen. Er is weinig bekend over de gevoelens van de geportretteerden. Recent onderzoek suggereert dat bijvoorbeeld Aboriginals het langdurige poseren ondergingen als een ceremoniële handeling, een beproeving die men moest doorstaan. Soms worden de schedels met liefde gemeten, zoals in Nieuw-Guinea in 1959, maar de vernedering is er niet minder om. Witte mannen in korte broeken, sigaret in de mond, lijken goede maatjes met de onderzochte Papoea's. Betrokkenheid en superioriteitsgevoel gaan hand in hand.

Met wisselend succes is de lijn van de expositie doorgetrokken tot in het heden. Vier kunstenaars maakten, op verzoek van het museum, aanvullend werk. De levensgrote portretten van Diana Blok kunnen echter overal staan, voor de Arubaanse impressies van Nadine Salas geldt hetzelfde. Perfect op z'n plaats is de stereotunnel van Martin van den Oever, die de stereofotografie van Neville Keasberry laat herleven. Mede dankzij de muziek van Jos Jansen en een simpel brilletje waant de bezoeker zich op een Javaanse markt in 1905. Toen werd de afstand tussen Java en Europa overbrugd door een foto. Nu we de ander minder als vreemd ervaren en afstand er niet meer toe doet, is het de tijd die wordt overbrugd.

Tentoonstelling: De bril van Anceaux. Volkenkundige fotos 1860-heden. T/m 8 sept. in Rijksmuseum voor Volkenkunde, Steenstraat 1, Leiden. Di t/m zo 10-17u. Catalogus € 24,50. Inl. 071-5168800 of www.rmv.nl