Polls zijn glazen bol geworden

Pim Fortuyn is niet alleen een probleem voor politieke tegenstanders en journalisten. Ook statistici krijgen geen greep op het `verschijnsel'. ,,Er valt niet meer tegen op te peilen.''

Marn van Rhee heeft het hele weekend wanhopig zitten rekenen. De onderzoeksmanager bij het Centrum voor Onderzoek en Statistiek van Rotterdam analyseerde met enkele collega's de uitslagen van de raadsverkiezingen voor 67 van de 99 buurten van de stad. Ze zochten causale verbanden tussen het percentage Fortuyn-stemmers en voor de hand liggende variabelen: het aandeel van allochtonen in een wijk, de welvarendheid van een buurt. Verder keken ze of er een samenhang te vinden was tussen de mate waarin Rotterdammers in 1994 op extreemrechts stemden en nu op Leefbaar Rotterdam. De resultaten van al dat rekenwerk staan in een rijk geïllustreerd en gekleurd rapport dat onlangs verscheen.

Conclusie van Van Rhee: ,,Er valt voorlopig niks over te zeggen over de aanhang van Pim Fortuyn.''

Voor de PvdA vond de onderzoeker ,,prachtige samenhangen''. Zo geldt: hoe rijker een buurt, hoe kleiner de aanhang van die partij. Bij de VVD is dat precies omgekeerd. Maar de grafieken van Leefbaar Rotterdam bestaan niet, zoals het `hoort', uit punten rond een rechte lijn. Nee, het zijn grote onsamenhangende wolkjes, bijna symbolisch voor de aanhang van Fortuyn: die lijkt zich overal, in alle groepen van de samenleving te kunnen bevinden.

Het is een nachtmerrie voor de campagnevoerders van gevestigde partijen, die graag willen weten waar en hoe de vijand te bestrijden. Zo komen vandaag de voorzitters van de VVD-kamercentrales bijeen om zich, samen met lijsttrekker Dijkstal, te beraden op de situatie van na de raadsverkiezingen. Uit peilingen deze week bleek dat de lijst-Fortuyn landelijk even groot dreigt te worden als de VVD.

Maar ook de opiniepeilers die de VVD aldus in rep en roer brachten, hebben het moeilijk, volgens Van Rhee. In drie gemeenten waar een partij met het etiket `leefbaar' voor het eerst meedeed en (bijna) de grootste werd, waren vóór de verkiezingen peilingen gehouden: in Delft, Almere en Rotterdam. In alle drie de gevallen bleken de leefbaren veel meer stemmen te krijgen dan de peilers voorspelden. Leefbaar Almere kreeg geen zes maar negen zetels. Leefbaar Delft niet 6 maar 16 procent van de stemmen. En Leefbaar Rotterdam zeventien zetels, terwijl de polls ,,vijf tot tien'' hadden voorzien. ,,Het lijkt erop dat peilingen de nieuwkomers structureel onderschatten'', zegt Van Rhee.

Zijn verklaring: onder de mensen die niet mee willen doen aan enqûetes zitten naar verhouding veel Fortuyn-symphatisanten. En in Nederland is de non-respons, zoals dat heet, groot: tot bijna 40 procent van de ondervraagden wil niet meedoen.

Dat is heel goed mogelijk, zegt Tom van Dijk, directeur beleidsonderzoek van Intomart en verantwoordelijk voor de peilingen die voor de raadsverkiezingen in Rotterdam werden gehouden. ,,Ik sluit niets meer uit'', zegt hij nu. ,,Ook niet dat Fortuyn straks landelijk de grootste wordt.''

Het verschijnsel Fortuyn maakt opiniepeilingen minder betrouwbaar, zegt ook Rudy Andeweg, hoogleraar politieke wetenschappen in Leiden. Opiniepeilers zijn gewend gebruik te maken van ervaringen uit het verleden. ,,Zo vragen ze de deelnemers aan hun onderzoek: `Wat heeft u vier jaar geleden gestemd?' Op die manier komen ze te weten of in hun steekproef bijvoorbeeld de VVD-stemmers zijn oververtegenwoordigd. En dan passen zij hun uitkomsten naar rato aan. Probleem is nu dat er geen mensen zijn die vier jaar geleden op Fortuyn hebben gestemd.''

Van Dijk van Intomart beaamt: ,,Opiniepeilers passen allerlei correcties toe op basis van het verleden. Dat is prima, maar er is één voorwaarde, namelijk dat het heden lijkt op het verleden. Maar in het verleden waren die leefbare partijen er niet. Daardoor hangen die correctiemethoden voor een groot deel in de lucht.''

Op de avond van de gemeenteraadsverkiezingen liep Van Dijk in het stadhuis van Rotterdam langs burgemeester Opstelten. De burgemeester zei: `Ach, daar hebben we onze opiniepeiler. Over vier jaar nemen we een ander bureau.'' Waarop Van Dijk antwoordde ,,dan moet je er eentje nemen met een glazen bol''.

Een ander, heel groot probleem voor opiniepeilers is volgens Van Dijk de zwalkende kiezer, die voortdurend van mening verandert. Veel vaker en sneller dan vroeger. Van Dijk: ,,Ik hoorde professor Andeweg, die woensdag in 2Vandaag de laatste peilingen van het NIPO becommentarieerde, zeggen dat in twee weken tijd een derde van de kiezers zijn voorkeur had gewijzigd. Dat is gigantisch. Onvoorstelbaar. Daar valt niet meer tegen op te peilen.''

Henk Foekema, onderzoeksdirecteur van het NIPO, zegt nog steeds het volste vertrouwen te hebben in de methode die zijn bureau heeft gekozen. Het NIPO maakt gebruik van een vast panel van 3.000 personen, die stemmen per computer, zodat ze geen maatschappelijk wenselijke antwoorden hoeven te geven. ,,Maar het is waar'', zegt hij, ,,dat er sprake is van een grote dynamiek en dat maakt de uitslag onzekerder.''

Van Dijk zegt het zo: als op 15 mei blijkt dat de onderzoekers er naast hebben gezeten, dan ligt dat niet noodzakelijkerwijs aan hen. ,,Dan ligt dat waarschijnlijk aan de werkelijkheid.''