Opgegraven oorlog

De strijd om Troje is nog steeds niet uitgewoed. Hoe groot, hoe belangrijk was de stad waar de Grieken meer dan drie millennia geleden tien jaar lang om streden? Op het Troje-congres in het Duitse Tübingen vierde kinnesinne tussen Korfmannianen en Kolbianen hoogtij.

Een legertje persfotografen, snorrende tv-camera's, veertig journalisten, meer dan zeshonderd belangstellenden in oude collegebanken. Verhitte discussies, die via de wandelgangen van de universiteit van de Zuid-Duitse stad Tübingen uitwaaierden tot in de steile straten van de oude binnenstad, waar de etalages van de boekwinkels nog eens duidelijk maakten waar het om ging: Kampf um Troia.

De Trojaanse Oorlog, die zich omstreeks 1200 v.Chr. zou hebben afgespeeld en vier eeuwen later door de Griekse dichter Homerus in zijn Ilias werd bezongen, is de afgelopen maanden in Duitsland nog eens dunnetjes overgedaan. En zoals de schaking van Helena destijds de Trojaanse oorlog deed ontbranden, zo bracht één kranteninterview in de Berliner Morgenpost een reeks van vijandelijkheden op gang tussen twee Tübinger geleerden. In het interview beschuldigde Frank Kolb, hoogleraar oude geschiedenis, Manfred Korfmann, hoogleraar prehistorische archeologie en opgraver van Troje, van misleiding van het publiek. Korfmann deed voorkomen dat Troje in het tweede millennium v.Chr. een belangrijke Anatolische handelsstad was, maar daarvoor ontbrak elk wetenschappelijk bewijs, aldus Kolb. Het was het begin van een maanden durende affaire die afgelopen februari een voorlopige climax vond tijdens een tweedaags congres in Tübingen.

Korfmann staat bekend als een ietwat hooghartige Herr Professor Doktor, die zijn medewerkers in het veld nooit een compliment zal geven. Ze werken mee aan een topproject, dus is het volkomen normaal dat ze topprestaties leveren. Toen Korfmann tijdens het Tübinger congres de rij van dertien sprekers opende werd dan ook verwacht dat hij zich scherp zou verdedigen tegen Kolbs aanval. Maar verrassenderwijs besteeg niet een zelfverzekerde man het spreekgestoelte in het Auditorium Maximum van de Neue Aula, maar een angstige muis.

sponsors

Wat een verschil met bijna een jaar geleden, toen de geleerde trots toekeek hoe Bundespräsident Rau en de Turkse president Sezer de opening verrichtten van Troia, Traum und Wirklichkeit, de grootschalige, door Duitsland reizende tentoonstelling over de plek waar Korfmann sinds 1988 opgravingen verricht. Na Heinrich Schliemann, Wilhelm Dörpfeld en de Amerikaan Carl Blegen is hij de vierde die van de Turkse overheid daartoe toestemming heeft. De campagnes kosten jaarlijks ongeveer een half miljoen euro. Een van de sponsors is Daimler-Chrysler. De autofabrikant schokt jaarlijks zo'n 150.000 euro voor wat wervend de `ontmoeting tussen oosterse en westerse cultuur' wordt genoemd.

Korfmann en zijn mensen bestuderen in het kader van het Projekt Troia de hele geschiedenis van de plek, die in tien fases is te verdelen, in 3000 v. Chr. begint en ruim vierduizend jaar later in de Byzantijnse tijd eindigt. Maar vanzelfsprekend heeft vooral dat ene Troje, waar de Grieken volgens Homerus die tienjarige oorlog om gevoerd zouden hebben, de speciale aandacht. Het gaat om wat in wetenschappelijke kringen bekend staat als Troje VI en VIIa, de vondstlagen die vanwege hun datering in de dertiende en twaalfde eeuw v.Chr. en sporen van verwoesting vanouds met de Val van Troje werden geassocieerd.

Probleem met het `Homerische' Troje was lange tijd dat het nogal klein was. De burcht had weliswaar steile vestingmuren, maar kon met een oppervlakte van amper twee- bij driehonderd meter geen stad genoemd worden. Voor velen weer een aanwijzing dat de Ilias toch vooral een fictief literair werk is en dus niet, zoals Schliemann ooit had gedaan, te gebruiken als historische bron. Korfmann kon er in zijn eerste opgravingscampagnes ook niet meer van maken en legde zich er bij neer dat Troje niet meer dan een soort piratennest was geweest, dat zich dankzij de strategische ligging aan de Dardanellen met tolheffingen in leven had gehouden.

Maar in 1993 ontdekte hij buiten de burchtmuren de resten van stenen huizen. Wat verderop kwam een soort greppel tevoorschijn met gaten, die een aanwijzing vormden voor een houten palissade. Troje had dus een ommuurde benedenstad gehad en was met een oppervlakte van 270.000 vierkante meter toch niet zo klein geweest, luidde zijn conclusie. Hij werd daarin gesterkt, toen vijf jaar later de hittitologen Frank Starke van de Universiteit Tübingen en David Hawkins van de Universiteit van Londen onafhankelijk van elkaar tot de conclusie kwamen dat Troje genoemd wordt in een dertiende eeuws Hittitisch verdrag. Muwattalli II beveelt daarin ene Alaksandu van Wilusa troepen en strijdwagens te leveren in geval van oorlog met Babylon, Assyrië en Egypte. Het land Wilusa en zijn gelijknamige hoofdstad, zo stelden Starke en Hawkins, is te identificeren als het Homerische (W)Ilios, oftewel Troje.

derderangs

Dat gaf de zaak een nieuwe wending, aangezien de Hittieten in de ogen van Korfmann en de zijnen niet de gewoonte hadden met derderangs staatjes verdragen te sluiten. En zo veranderde Troje de afgelopen jaren van een piratennest in een metropool, een knooppunt van handel en een hoog ontwikkelde beschaving. Een stad met tegen de 10.000 inwoners die volgens de filologen van het Projekt Troia verrassend veel leek op de stad zoals Homerus haar beschrijft.

Een visie die Korfmann met graagte uitdroeg en die ook was terug te vinden op de reizende tentoonstelling waar de bezoeker onder andere werd vergast op een groot houten model van Troje uit de Late Bronstijd, met een dichtbebouwde burcht en benedenstad. Virtual reality bracht de oude stad nog eens extra tot leven, compleet met steile muren, stevige poorten, kloeke bastions en, iets voor de muur van de benedenstad, een brede greppel, een soort tankgracht om vijandige strijdwagens tegen te houden. En videoschermen toonden veelvuldig Manfred Korfmann, die als een Turkse pasja over de opgraving liep en uitleg over de vondsten gaf.

Ook in de wandelgangen van het congres waren de video's te zien. En de inhoud stond haaks op wat Frank Kolb, Korfmanns tegenstander, in de Berliner Morgenpost had beweerd. Kolb, die nota bene ooit Korfmann naar Tübingen had gehaald, vond dat het maar eens hardop gezegd moest worden. Grote stad, handelsmetropool, benedenstad met anti-strijdwagengracht, Homerisch Troje? Geen greintje bewijs. De schamele opgegraven stenen muren in de zogenaamde benedenstad stamden uit verschillende perioden; een lapis lazuli sierbijl, die op handel met Centraal-Azië moest wijzen, was afkomstig uit een vondstlaag die vijfhonderd jaar ouder is dan die van Troje VI en de gracht was ontstaan door de plek te gebruiken als steenhouwerij. Korfmann misleidde het publiek, hij was een fantast, hij was `de Von Däniken van de archeologie'.

Korfmann ging er op het congres in zijn van papier gelezen voordracht nog eens op in, bedeesd en met zwakke tegenargumenten. De internationale wetenschappelijke gemeenschap had niets dan lof voor zijn Trojaanse onderzoek gehad. Verder had prehistorische archeologie zo zijn eigen onderzoekscriteria en ach, het houten model was niet voor wetenschappers maar voor scholieren bedoeld. Hij wist ook niet precies hoeveel inwoners Troje had gehad, ergens tussen de vijf- en tienduizend, maar zoveel maakte dat niet uit. Hij, Korfmann, ging in ieder geval elke zomer met een internationaal gezelschap van archeologen, zoölogen, biologen, geologen, geofysici, hittitologen en klassiek filologen naar de vindplaats aan de Dardanellen. Bij het ontbijt, bij de lunch en bij het diner discussieerden de meer dan zeventig leden van het Projekt Troia met elkaar. Kolb en zijn aanhangers? Die dachten níet-interdisciplinair en waren derhalve niet op de hoogte van de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen.

Het congres, onder de neutrale titel `De betekenis van Troje in de Late Bronstijd', was juist bedoeld om dat soort persoonlijke stekeligheden uit te bannen en een brug tussen partijen te slaan. In de maanden daarvoor was de zaak immers geprolifereerd en hadden de deskundigen zich via de pers in een van de twee kampen geschaard. Dieter Hertel, hoogleraar klassieke archeologie in München en net gereed met het boekje `Troia': Archäologie, Geschichte, Mythos', had zich tot een van de prominentste voorvechters van de `Kolbianen' ontpopt. Ook hij verweet Korfmann ongefundeerde conclusies. Hoewel Korfmann en de zijnen het hardop ontkenden waren ze, aldus Hertel, wel degelijk bezig te bewijzen dat de Ilias een historische bron was. Wat Joachim Latacz, hoogleraar Griekse filologie in Bazel en vooraanstaand Korfmanniaan, in de Frankfurter Allgemeine krachtig ontkende. De Griekse dichtzang was in zijn ogen als een gletsjer die vanaf de Myceense tijd allerlei historische herinneringen, onder andere aan lang geleden gevoerde oorlogen in Klein-Azië, had meegesleept en met het begin van het schrift in 800 v.Chr. tot stilstand was gekomen, met de Ilias als eindmorene. Een dichtzang die als historische bron dan wel niet geheel betrouwbaar is, maar die meer historische feitelijkheden bevat dan velen denken.

De polemiek trok wel veel bezoekers naar de Troje-tentoonstelling nu al meer dan 800.000, de expositie in Bonn is verlengd tot 1 april , maar de rector van de universiteit van Tübingen was vooral beducht voor de reputatie van zijn Alma Mater. Of de heren het geschil niet netjes als wetenschappers binnen de muren van hun universiteit konden oplossen, tijdens een congres waarbij alle disciplines (prehistorische archeologie, klassieke archeologie, hittitologie, oude geschiedenis en Homerus-onderzoek) aan bod zouden komen. Beide partijen mochten ieder vijf medestanders uitnodigen. Korfmann en Kolb gingen akkoord, de eerste onder één voorwaarde: Kolb moest zijn vergelijking met Von Däniken intrekken. Waarop Kolb liet meedelen dat hij nooit de bedoeling had gehad om iemand te kwetsen.

Het Auditorium Maximum, de eerbiedwaardige oude collegezaal in de Tübinger universiteit, had na de openingstoespraak van Korfmann al snel veel weg van het Circus Maximus in Rome. Het publiek, dat bloed wilde zien, roffelde op de tafelbladen. Het werd op zijn wenken bediend. Hittitoloog Frank Starke, de man die de Hittitische naam Wilusa gelijkstelde met Troje, nam de `Kolbiaan' Dieter Hertel op de korrel. ``Kunt u deze spijkerschriftregel vertalen?'' vroeg hij de klassiek archeoloog, die in zijn boekje enkele woorden had gewijd aan de interpretatie van de naam Wilusa. Nee, antwoordde die. ``Dat wist ik al, maar ik wilde dat de anderen het ook zouden weten.'' Hertel suggereerde op zijn beurt dat de opgravers in de tentoonstellingscatalogus met opzet twee bijna dezelfde kleuren rood hebben gebruikt voor de opgegraven huizen van Troje VI en VIIa in de benedenstad. ``Zo lijkt het meer, maar beide perioden moeten gescheiden worden.'' Wat de opgravingsleider van Korfmann in de wandelgangen later diep deed zuchten. ``Zijn ze soms kleurenblind?'' In zijn voordracht had hij rood en groen gebruikt. ``Ze willen niet worden overtuigd. Als ik een stuk muur vind, eisen zij een hoek van een huis en als ik een hoek vind, vragen ze om een complete huisplattegrond uit de benedenstad.'' Dat laatste is bijna onmogelijk, voegde hij eraan toe, omdat er in de benedenstad veel erosie is geweest en een groot deel wordt ingenomen door gebouwen uit de Romeinse en hellenistische tijd. ``Die moeten ook onderzocht worden. Ze kunnen niet zomaar afgebroken worden om te kijken of er resten uit de Late Bronstijd onder zitten.''

Voor de Tübinger houwdegen en archeo-zoöloog prof.dr.dr. Hans-Peter Uerpmann ging het hier als gewoonlijk om de oude strijd tussen archeologen en oud-historici. Die laatsten ``hebben altijd gemeend dat zij de waarheid in pacht hebben, maar zij komen de laatste jaren niet meer met nieuwe inzichten en staan met de rug tegen de muur.'' De archeologie daarentegen ``heeft de waarheid in bezit''.

Tussendoor vielen zowaar nog enkele rustige beschouwingen te noteren. De prehistorisch archeoloog Bernhard Hänsel uit Berlijn wees erop dat het ontbrak aan goede definities voor stad en handel in de Bronstijd. Hij graaft zelf in het nog weinig onderzochte noordelijke Egeïsche gebied en de Balkan en wat hij daar aan plattegronden en materiaal vindt lijkt op Troje. Hij zou Troje geen Anatolische handelsstad met een hoogwaardige cultuur willen noemen, maar onderdeel van een keten Noord-Egeïsche kustvestigingen. En de enige vrouw in het gezelschap van grijze mannen, hittitologe Susanne Heinhold-Krahmer uit Salzburg, achtte de gelijkenis Wilusa=Troje interessant, maar nog niet definitief bewezen. Het ontbreekt bijvoorbeeld aan archeologische bewijzen zoals kleitabletten waaruit die identificatie ondubbelzinnig zou blijken.

paardenbotten

En Frank Kolb? Hij hield een keurige voordracht over handel in de Bronstijd. Minzaam legde hij uit dat Korfmann wel kaarten kan laten zien met lijnen die verre handelsbetrekkingen voorstellen, maar dat die vermeende contacten op een beperkt aantal vondsten zijn gebaseerd. Eén in Troje gevonden zegel met een Luwische tekst wil niet zeggen dat daar schrift en een handelsarchief waren, zeven procent paardenbotten duidt, afgezet tegen vijftig procent runderbotten, niet op paardenhandel. Verder is de keramiek lokaal gemaakt en is nergens in het Zwarte-Zeegebied Trojaans handelsmateriaal gevonden. Troje lijkt in niets op een echte handelsstad uit de Bronstijd zoals het Noord-Syrische Ugarit, dat een complexe paleis- en stadsstructuur had en waar een uitgebreide paleisadministratie het tastbare bewijs is van grootschalige handel met Egypte, Cyprus en Mesopotamië. Troje was kortom niet meer dan een bovenregionaal centrum met amper duizend inwoners. Alleen bij de afsluiting van het symposium verviel Kolb toch weer in zijn oude rol van niet aflatende rottweiler waarvoor velen hem houden: ``Korfmann heeft niet-wetenschappelijke motieven om Troje belangrijker te maken dan het in werkelijkheid was. Daartegen moet de wetenschap beschermd worden.''

Aan het einde van de tweede conferentiedag schudt oud-historicus Michael Koch het hoofd. ``Zo moet het er in de jaren dertig ook aan toe zijn gegaan.'' Het was allemaal niet nodig geweest, zegt hij, als iedereen alles niet zo serieus had genomen. En verzoenend: ``Korfmann heeft het een beetje hoog in de bol, maar hij is wel eerlijk. Misschien heeft hij op de tentoonstelling meer van Troje gemaakt dan het in werkelijkheid was. Maar Kolb heeft ongelijk met zijn bewering dat Troje niks voorstelde. Verder graven is nodig.''

De Troje-polemiek staat uitgebreid op de website van Projekt Troia (www.uni-tuebingen.de/troia).