Onze revolutie

Bij komieken zie je het ook vaak gebeuren: jarenlang zijn ze om te gillen, ze hoeven maar een wenkbrauw op te trekken en je ligt op de grond, hun grappen zijn helemaal van hier en nu; en dan plotseling, vrijwel van de ene dag op de andere, zijn ze helemaal niet leuk meer. Ze worden weggevaagd door nieuw talent, met een nieuwe stijl, met nieuwe grappen over, zo voelt het tenminste, opwindende en pregnante onderwerpen. Alles aan de oude komiek is plotseling flauw en oudbakken, je vraagt je af wat je er vroeger in godsnaam zo leuk aan gevonden hebt. Zelf kan hij er weinig aan doen; hij is domweg ingehaald door de tijdgeest. Verbijsterd draait hij zijn repertoire af.

Het is diezelfde verbijstering die je deze dagen van de gezichten van de politici van de gevestigde partijen kunt aflezen. Hun toon is niet wezenlijk anders dan acht jaar geleden, hun imago steunt op dezelfde gemoedelijke pijlers, maar ineens krijgen ze nergens meer de handen voor op elkaar. Wat is er in godsnaam gebeurd? In de tegenaanval grijpen ze naar een vertrouwde retoriek, die plotseling beangstigend hol aandoet: Anne Frank, bruinhemden, de situatie in het Duitsland van de jaren dertig, onderwereldfiguren, een haatzaaier, een fascistische relnicht. Niet eerder hoorde ik onmacht zo onmachtig geformuleerd.

De dag na zijn afgang tijdens het fameuze lijsttrekkersdebat, schoot Ad Melkert zichzelf in zijn andere voet door te verklaren dat zijn desastreuze optreden te wijten was aan een te sterke persoonlijke betrokkenheid: hij is immers met een Chileense vrouw getrouwd, en het werd hem eenvoudig te veel toen hij hoorde hoe Pim Fortuyn haar impliciet met een dweil vergeleek. Dat de adviseurs van de PvdA-lijsttrekker juist die idiote verklaring kozen om te redden wat er te redden viel, wijst er opnieuw op dat die partij aan de vooravond van de grootste crisis in haar bestaan staat. Je hoeft geen ziener te zijn om dat te voorspellen; de PvdA wacht een woestijn die nog veel uitgestrekter is dan die waardoor het CDA de afgelopen jaren heeft moeten trekken. Geïnspireerd door de persoonlijkheidscultus van Tony Blair heeft de afdeling promotie van zijn partij geprobeerd Ad Melkert tot een authentieke persoonlijkheid te boetseren door ons zijn recepten voor boerenkool voor te schotelen, door zijn authentiek eenvoudige vader op te trommelen, die diep in de provincie al meer dan veertig jaar hetzelfde onvergankelijke bloempotmodel knipt, en nu dan door wanhopig zijn Chileense echtgenote in beeld te duwen waarvan niemand iets afweet, maar alleen het feit dat ze uit Chili komt, impliceert een gruwelijk slachtofferschap, dat is genoeg. De knuffelmethode van caring Tony Blair, met een flinke dosis burgerlijke nuchterheid à la Wim Kok dat had het recept voor succes moeten zijn.

En dan noemen ze Fortuyn cynisch en weinig inhoudelijk.

Maar Melkert blijkt een achterhaalde komiek nog voor hij goed en wel de bühne is opgegaan. Die verdomde tijdgeest ook: er heeft een mentale omslag plaatsgevonden in de houding die de Nederlander ten opzichte van zichzelf en de rest van de wereld wenst aan te nemen. De politieke retoriek waarmee de sociaal-democratie zich door de afgelopen eeuw heeft heengeslagen, moet het hebben van slachtofferschap. Het zijn de zwakkeren in binnen- en buitenland die zorg behoeven, het zijn de arme mensen waarvoor je moet opkomen om te voorkomen dat ze in het verdomhoekje terecht komen, we kunnen ze niet in de kou laten staan, enzovoort. Net zo met immigranten: ze kunnen niet hulpbehoevend genoeg zijn. Economisch achtergesteld, cultureel ontheemd en voortdurend belaagd door het spook van het racisme, vormen ze de ideale vervanger van de arbeider als slachtoffer. Toch voelt ook de arbeider die is opgegaan in de burgerij zich nog tekort gedaan; in de sociaal-democratie na de jaren zestig heeft iedereen geleerd zich een beetje een zwakkere te voelen. Afhankelijkheid leek de beste voedingsbodem voor politieke steun.

Onvrede vormt ook de basis voor het ongehoorde succes van Pim Fortuyn alleen is het de onvrede van slachtoffers die zich plotseling laten gelden. Het hen-gevoel van de late sociaal-democratie heeft plaatsgemaakt voor een en-nu-wij-gevoel. Assertiviteit en mondigheid, de eigen verantwoordelijkheid, je eigen zaakjes regelen, zelfwerkzaamheid en het afbakenen van het eigen Hollandse terrein; het is een vitale retoriek die lijnrecht ingaat tegen de permanente hulpverleningsgedachte van het antieke socialisme, die de afgelopen acht jaar vooral nog met de mond werd beleden. Links reageerde op die egocentrische assertiviteit met al te vertrouwde beelden van bewezen slachtofferschap Anne Frank, de opgejaagde asielzoeker zonder familie, een Chileense echtgenote. Dat was stom, want alle pijnpunten die door Fortuyn worden aangesneden, waren ook al tot de sociaal-democratische discussiefora doorgedrongen.

Zelfs die taarten in het gezicht van Fortuyn deden sleets aan.

,,In Rotterdam is de tweedeling een feit'', kon je steeds opnieuw horen na de smadelijke nederlaag van de PvdA en de overwinning van Fortuyn. De typische aanhanger van Fortuyn wordt neergezet als een boze blanke man van boven de vijftig zo'n stijf bewegende huisvader die je op televisie ziet als kandidaat bij spelletjes als Lingo, ongemakkelijk in een door zijn vrouw gebreide trui met fantasiepatroon.

Dat valt nog te bezien. Wie de neergang van de gevestigde politiek en de opkomst van de populist Fortuyn enkel en alleen in versleten termen als ruk naar extreem-rechts, Hollandse Haider of De Winter ziet, snapt niet dat de spelregels voorgoed veranderd zijn. Twee voorspellingen: juist de bemoeienis van Wim Kok als vader des vaderlands met de verkiezingsstrijd pakt desastreus uit voor de PvdA; en wanneer de luchtbel Fortuyn niet vóór de verkiezingen al uiteenspat en dat ziet er niet naar uit zal diens aanhang meer en meer allochtonen gaan bevatten. Alleen wie nog in de oude politieke clichés denkt, ziet niet dat het assertieve gedachtegoed van Fortuyn hem tot een ideaal rolmodel maken van nieuwkomers die in Nederland een bestaan willen opbouwen, van migranten die zichzelf jarenlang als slachtoffer hebben leren zien en ineens beseffen dat juist die rol iedere werkelijke worteling uitsluit.

Het lijsttrekkersdebat na de gemeenteraadsverkiezingen wordt terecht nu al als historisch beschouwd, want het maakte duidelijk dat er in Nederland een bescheiden revolutie heeft plaatsgevonden. Dat die revolutie eerder een kwestie van mentaliteit is dan van werkelijke hervormingen, zal later duidelijk worden; net zo zullen de revolutionairen in hun Lingo-truien na de overwinningen zichzelf als eerste om zeep helpen. De man Fortuyn zal een hype blijken, maar zijn omwenteling heeft zich al voltrokken.