Monterrey kan `historisch' worden

Volgende week begint in het Mexicaanse Monterrey de zwaarste internationale conferentie ooit over ontwikkelingssamenwerking. De rijke industrielanden komen alvast met meer geld over de brug.

Zo ziet de wereld er in 2015 uit ten opzichte van nu: een halvering van het aantal mensen op de wereld dat moet rondkomen van minder dan een dollar per dag. Basisonderwijs voor alle kinderen, met gelijke kansen voor meisjes. Vermindering van de kindersterfte met tweederde ten opzichte van het niveau van 1990, verlaging van de moedersterfte met driekwart. Een einde aan de verdere verspreiding van hiv/aids, malaria en andere ziekten. Een halvering van het aantal mensen zonder toegang tot drinkwater. Dit alles onder een duurzaam werkend partnerschap van rijke en arme landen, binnen een open en eerlijk handels- en financieel systeem, met een schuldenvraagstuk dat in het zicht is van een oplossing, een gewaarborgd milieu en wereldwijd gelijke kansen voor mannen er vrouwen.

Ambitieus? Bovenstaand prijken de doelstellingen die de wereldgemeenschap, bijeen in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, zich in september 2000 stelde in de Millenniumverklaring. De doorbraak was destijds dat de gemeenschap het er daadwerkelijk over eens werd. Anderhalf jaar later buigt de wereld zich over de tweede, belangrijker stap: de uitvoering. En die staat of valt met de financiering.

Volgende week vindt daarom in het Mexicaanse Monterrey de grootste conferentie over ontwikkelingssamenwerking ooit plaats. Op deze Financing for Development (FfD)-conferentie, georganiseerd door de VN, en geflankeerd door het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank, komen ministers en staatshoofden van vrijwel alle landen en betrokken non-gouvernementele organisaties (bijvoorbeeld Novib) samen om de Millenniumverklaring handen en voeten te geven. De delegaties zijn zwaar: zo komen onder andere de Franse president Chirac en de Amerikaanse president Bush. Nederland vaardigt minister Herfkens van Ontwikkelingssamenwerking af.

Over de financiering van ontwikkelingssamenwerking werd in de jaren zeventig al een historisch besluit van de Verenigde Naties genomen. Destijds werd de norm gesteld dat elk ontwikkeld land 0,7 procent van zijn bruto binnenlands product aan ontwikkelingshulp zou moeten besteden. Op een handvol landen na houdt niemand zich daar aan. Volgens tellingen van de Development Assistance Committee (DAC), waarbij 22 leden van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zijn aangesloten, vloeide in 2000 53,1 miljard dollar (60 miljard euro) aan officiële ontwikkelingshulp (ODA) van de rijke naar de arme landen. Dat is, gecorrigeerd voor inflatie en wisselkoersverschillen, een daling van 1,6 procent ten opzichte van 1999. Het bedrag staat gelijk aan gemiddeld 0,22 procent van het bbp van de OESO-landen – nog geen derde van het streefgetal van 0,7 procent. Nederland en de Scandinavische landen halen de norm van 0,7 procent van het bbp wel, of overschrijden die zelfs. Maar de grote landen besteden aanzienlijk minder. In de Verenigde Staten bedraagt het percentage slechts 0,1.

Door de Verenigde Naties is becijferd dat het halen van de Millennium-doelstellingen een extra inspanning vergt van 50 miljard dollar – een verdubbeling dus ten opzichte van de huidige praktijk. Oxfam, een internationale bundeling van NGO's waar ook de Novib onder valt, gaat overigens verder en stelt dat een verdrievoudiging nodig is. Als alle rijke industrielanden daadwerkelijk 0,7 procent zouden spenderen, dan zou het totaalbedrag inderdaad op 160 miljard dollar per jaar komen.

Zo ver zal het volgende week bij lange na niet komen. Maar de druk van Monterrey is aan de vooravond van de conferentie wel degelijk voelbaar. Hoewel `Monterrey' al lang was afgesproken, heeft de conferentie sinds de aanslagen in New York en Washington van 11 september aan zeggingskracht gewonnen. Wereldbankpresident James Wolfensohn verwoordde dat beeldend toen hij onlangs stelde dat het westen niet langer de luxe woonwijk is die door hoge muren kan worden afgeschermd van de arme buurtbewoners. Het dichten van de kloof tussen rijk en arm is, los van humane overwegingen, een zaak geworden van internationale veiligheid.

Eergisteren kondigde de Amerikaanse president Bush aan het budget voor ontwikkelingshulp vanaf 2004 te verhogen met 5 miljard dollar per jaar, ongeveer een derde bovenop het huidige budget. Op dezelfde dag kwamen de lidstaten van Europese Unie overeen om het percentage voor ontwikkelingshulp van hun bbp op te voeren van het huidige EU-gemiddelde van 0,33 naar 0,39 in 2006. Geen enkel afzonderlijk EU-land mag dan onder de 0,33 procent uitkomen. Nederland heeft bij het accepteren van het EU-besluit zijn eis laten varen dat ook afgesproken zou moeten worden of en wanneer in de toekomst de 0,7 procent gehaald zou moeten worden.

Zo vliegen de miljarden al bij voorbaat over tafel. Het extra bedrag dat in EU-kringen circuleert komt op 7 miljard dollar. Maar bij een bij een nominale economische groei van 4 procent per jaar, en gelijkblijvende wisselkoersen, kan het bedrag ook worden becijferd op een extra 13 miljard dollar aan ontwikkelingshulp in 2006. Dat de toezeggingen ver in de toekomst liggen is niet verwonderlijk. Zowel de VS als de EU kampen op dit moment met de begrotingsgevolgen van de huidige laagconjunctuur. Verwacht wordt dat de Amerikaanse begroting voor het eerst sinds Clinton-jaren weer een tekort zal vertonen. En in Europa moet bijvoorbeeld grootmacht Duitsland dit jaar alles in het werk stellen om de eurotekortnorm van maximaal 3 procent van het bbp niet te overschrijden.

Het gevolg van de Europese overeenstemming is wel dat de EU-landen in Monterrey meer als een blok kunnen opereren tegenover de VS. Want de tegenstellingen aan weerskanten van de Atlantische Oceaan zijn groot. Bush' toezegging meer geld aan ontwikkelingssamenwerking te spenderen doet weinig af aan het feit dat de Amerikanen ook na de ophoging relatief weinig geld aan dat doel besteden. De Verenigde Staten vinden dat er eerst maar eens effectiever gewerkt moet worden bij de ontwikkelingssamenwerking. In de ontwerp-slotverklaring van `Monterrey' die al circuleert is een harde referte aan het doel van 0,7 procent dan ook afgezwakt tot een vage belofte, na voortdurend aandringen van de VS. Wel stelden de VS voor een grotere financiële bijdrage te leveren aan de Wereldbank, indien die een groot aantal leningen omzet in subsidies. Maar dat wordt door de EU weer gezien als een goedkope afleidingsmanoeuvre.

De kans dat de slotverklaring van `Monterrey' alsnog wordt opgesierd met een harde verwijzing naar de 0,7-procentsnorm is, ondanks de financiële concessies van beide kanten, nog steeds niet groot. Bovendien kunnen de andere aandachtspunten op de conferentie makkelijk ondersneeuwen als een publiciteitsstrijd ontstaat tussen de VS en EU over wie het nu het beste voor heeft met het arme deel van de wereld. Want geld is niet het hele verhaal.

Monterrey zal ook gaan om een betere samenwerking tussen donoren, om meer efficiency, een beter investeringsklimaat, doorzichtiger planning en rekenschap van zowel de gevers als ontvangers van ontwikkelingshulp, en een grotere toegang van ontwikkelingslanden tot de westerse markt. Minister Herfkens benadrukte twee weken geleden in een voorbereidende manifestatie in Den Haag dat alleen al het feit dat alle betrokken partijen voor het eerst samen rond de tafel zitten als een doorbraak kan worden beschouwd. ,,Dit is een unieke ontwikkeling in onze gezamenlijke strijd tegen armoede. Voor het eerst wordt er naar alle componenten van ontwikkelingshulp gekeken en naar de effectiviteit van fondsenwerving. We kunnen stoppen met tijd verspillen zoals in de jaren tachtig en negentig, omdat voor de eerste maal alle partijen hun bijdrage leveren.'' De sfeer aan de vooravond van Monterrey is er, vergeleken met een paar maanden geleden, constructiever op geworden. Nu nog zien of de zwaarste ontwikkelingsconferentie in de geschiedenis dat volgende week ook waarmaakt.