Hoop voor de muizeneters

Hazarajat haalt opgelucht adem nu de Talibaan vertrokken zijn. Maar hoelang zal dat duren? Strijd met de Pathanen bepaalde eeuwenlang het leven van de Hazara's. Portret van een verachte minderheid. `Als een klein kind hier longontsteking oploopt is dat vaak dodelijk.'

Strompelend bereikt mullah Mohammad Hussein, een vriendelijke man met een pluizig baardje, de sjiitische moskee van het dorpje Ghurwan. ,,De Talibaan sloegen me vaak op mijn benen'', zegt hij haast verontschuldigend, als hij ondersteund door een meisje de deur ontgrendelt en het gebouwtje betreedt.

De uit leem, stro en hout opgetrokken moskee kijkt uit over de sprookjesachtige vallei van Bamiyan, eeuwenlang een geliefde pleisterplaats langs de roemruchte Zijderoute. Maar hoe fraai ook, niemand kan een treurige erfenis van de Talibaan aan de overzijde van het dal over het hoofd zien: de lege nissen waarin tot een jaar geleden de reusachtige, vijftienhonderd jaar oude boeddhabeelden stonden die door de fundamentalisten met explosieven zijn opgeblazen.

Voor de Talibaan was het een uitgemaakte zaak: hun vorm van de islam was de norm van alle dingen. Met de rechtlijnigheid en bekrompenheid die eenvoudige boeren eigen is bestreden de Talibaan alle andere vormen van religie. Opgehitst door zo mogelijk nog orthodoxere Arabische geestverwanten deinsden de Talibaan er zelfs niet voor terug de boeddhistische erfenis van het pre-islamitische Bamiyan te vernietigen.

Ook de sjiitische Hazara's, de grootste etnische groep in centraal Afghanistan,moesten het ontgelden. De moskee van Ghurwan ging na de komst van de Talibaan in 1998 op slot en mullah Mohammad Hussein mocht niet meer preken. ,,De Talibaan sloegen me van tijd tot tijd en scholden me uit voor muizeneter'', vertelt de mullah. `Muizeneter' is een oud scheldwoord dat de Pathanen, waaruit de Talibaan overwegend voortkwamen, vaak gebruiken voor de Hazara's. Daarmee willen ze hen niet alleen hun armoede inpeperen, maar ook dat ze geen echte moslims zijn. Muizen gelden in de islam als onrein.

We hebben de moskee nog niet betreden of van alle kanten snellen de bewoners van Ghurwan toe. Ook veel vrouwen en meisjes met hun traditionele groene, rode en roze hoofddoeken. Ze snakken ernaar een belangstellende vreemdeling te vertellen over de beproevingen die ze onder de Talibaan hebben doorstaan.

De schrille stem van Bibi Jan, een vrouw van middelbare leeftijd met een getekend gezicht, klinkt in het onverwarmde vertrek boven alle andere uit: ,,Ze hebben mijn man en twee zoons voor mijn ogen met een mes de keel afgesneden.'' Om elk misverstand te vermijden maakt de vrouw met haar vinger nog een ritsend gebaar langs haar keel. ,,En toen ik vroeg waarom ze dat in hemelsnaam hadden gedaan, wilden ze niet met me praten omdat ik een vrouw ben.''

De greep van de Talibaan op de Hazarajat, zoals het het centrale deel van Afghanistan inclusief Bamiyan vaak wordt aangeduid, was lang niet zo krachtig als op andere delen van het land. Herhaaldelijk moesten de Talibaan na hun komst in 1998 grote delen weer prijsgeven. Toch lieten de fundamentalisten bijna nergens zo'n bloedig spoor achter als juist in de uitgestrekte gebieden van de Hazara's.

De spanningen tussen de Pathanen en de Hazara's dateren niet van vandaag of gisteren en zijn niet alleen van religieuze aard. De minachting van de Pathanen bevat onmiskenbaar ook een racistisch element: met hun Mongoolse gelaatstrekken zien de Hazara's er heel anders dan de meeste andere Afghanen.

Als bewoners van een achtergebleven, straatarm gebied moeten de Hazara's al eeuwenlang opboksen tegen de Pathanen, met zo'n 40 procent van de bevolking sinds de achttiende eeuw de grootste en toonaangevende groep in de etnische lappendeken van Afghanistan. De Hazara's maken naar schatting zo'n 10 tot 15 procent van de bevolking uit.

De meeste Hazara's leiden vanouds een marginaal boerenbestaan in hun ontoegankelijke gebied. Velen hebben door de jaren heen geprobeerd de armoede in eigen kring te ontvluchten door zich elders in het land te vestigen, vooral in de hoofdstad Kabul. Daar moesten ze genoegen nemen met baantjes waarvoor de trotse Pathanen hun neus ophaalden. Daar werden de Hazara's sjouwers, bouwvakkers en huisknechten.

Niet voor niets schelden de Pathanen Hazara's vaak uit voor `pakezel'. Als er geen Hazara's waren, zou de prijs van ezels erg hoog worden, luidt een Pathaans gezegde. De wederzijdse antipathie blijkt ook uit een gezegde van de Hazara's: zelfs een Pathaanse hond heeft een beschermer, maar een Hazara heeft niemand.

Kristalhelder

,,Het is kristalhelder dat we altijd zijn gediscrimineerd door de Pathanen'', zegt de huidige politieke en militaire leider van de Hazara's, Abdul Karimi Khalili. Bij een kop groene thee in zijn bescheiden hoofdkwartier in Bamiyan somt hij de verschrikkingen op. ,,De afgelopen 250 jaar zijn we steeds uitgemoord en beroofd, terwijl onze huizen werden verwoest. Eind negentiende eeuw roeide de Pathaanse koning Abdur Rahman liefst 63 procent van de Hazara's uit. Hij liet zelfs minaretten bouwen van de schedels en de beenderen van de afgeslachte Hazara's.''

De Talibaan gingen volgens Khalili verder waar Abdur Rahman was opgehouden. Ook zij bouwden volgens hem in de streek Yakauwlang in het westen van Bamiyan een toren van lijken van gedode Hazara's. Volgens de inwoners van Ghurwan vermoordden de Talibaan alleen al in hun dorp en in twee belendende dorpen in totaal 160 mensen, vrijwel allen mannen en jongens. Al bleef een lijkentoren hier achterwege. De meeste slachtoffers liggen op de dorpsbegraafplaats.

De Talibaan beperkten zich niet tot het doden van Hazara's. Massaal voerden ze plunderingen en verwoestingen uit. In Bamiyan City, zoals het hoofdplaatsje van de gelijknamige provincie nogal groots door Afghanen wordt aangeduid, zijn her en der gebouwen verwoest, waaronder enkele scholen. In sommige dorpen in de provincie is zelfs 80 procent van de huizen verwoest. Ook stalen de Talibaan vrijwel al het vee uit de wijde omtrek, tot en met de kippen toe. ,,In heel Bamiyan is bijna geen kip meer te vinden'', bevestigt Christophe Driesse van het internationale Rode Kruis in Bamiyan.

Moord, plundering, brandstichting, hongersnood, onbeschrijflijke kou en lange periodes van droogte – de inwoners van Bamiyan zijn de afgelopen jaren door vele plagen geteisterd. Maar voor het eerst in vele jaren gloort nu hoop voor de Hazara's.

De stoffige hoofdstraat van Bamiyan City was drie maanden geleden nog vrijwel uitgestorven. Uit vrees voor nog meer moordpartijen nam de bevolking al jaren geleden massaal de benen naar de bergen van de Hindu Kush. Nu komt het plaatsje weer tot leven. De meeste bewoners zijn terug en bijna dagelijks opent wel een nieuw winkeltje zijn deur of venster.

Op bescheiden schaal is ook de veemarkt weer begonnen. Op een stoppelveldje naast de hoofdstraat onderhandelen tanige boeren met tulbanden en baarden over de prijs van ezels en koeien. De prijzen zijn voor lokale begrippen extreem hoog als gevolg van de massale veeroof van de Talibaan.

Ook op een ander niveau ontluikt er weer leven. Temidden van de ruïnes van een door de Talibaan verwoeste middelbare school is het onderwijs hervat. Zittend op de grond in een gespaard gebleven lokaal zonder schoolbord proberen opgeschoten jongens bij een temperatuur van even beneden het vriespunt met stijve vingers van de kou Engelse woorden in een schrift te noteren.

Maar dit is slechts kinderspel vergeleken met de ontberingen die de gevluchte Hazara's eerder in de bergen hebben geleden. In de bergen van Bamiyan vriest het 's winters vaak 25 graden. Sommige Hazara's woonden daar in geïmproviseerde huisjes zonder verwarming, anderen bivakkeerden langdurig in grotten.

,,Het was verschrikkelijk koud in de bergen en we hadden zo weinig te eten'', zegt de 12-jarige Rajat die net de school in Bamiyan verlaat. ,,Een jaar lang hebben we er met mijn vader en moeder gezeten.'' Bij veel vluchtelingen moesten bevroren ledematen worden geamputeerd.

Ook Ghulam Ali, een vriendelijke Hazara met een rood petje op zijn hoofd, zal het verblijf in de bergen nog lang heugen. ,,Twee van mijn twaalf kinderen zijn in de bergen door kou en uitputting gestorven'', zegt hij in het huisje van een gevluchte Tadzjiekse familie in het dorp Khami Kalak, bij wie hij na de val van de Talibaan zijn intrek heeft genomen.

Ghulam Ali ziet de toekomst weer wat zonniger in. Het voorjaar is in aantocht in de op 2.600 meter hoogte gelegen vallei. En dankzij de steun van het Rode Kruis hebben hij en zijn gezin voorlopig genoeg te eten. De voedselsituatie in Bamiyan is overigens nooit zo precair geweest als sommige mediaberichten eerder dit jaar suggereerden.

Glimlachend vertellen medewerkers van het Rode Kruis dat de bewoners van Bamiyan en andere arme streken, anders dan bericht, geen gras hebben moeten eten. Het ging slechts om wilde spinazie en primitieve tarwesoorten. Maar na de berichten over grasetende Afghanen kwam vanuit het buitenland meteen hulp naar de gebieden. Diverse arme Afghanen maakten van de gelegenheid gebruik door bij hulpverlenende instanties aan te kloppen met de mededeling dat zij ook gras aten.

Veel mensen in Bamiyan en de omliggende provincies zullen nog geruime tijd afhankelijk blijven van buitenlandse steun. Zoals de 35-jarige Kobra, die zonder man maar met vijf kinderen een berggrot bewoont pal naast de lege nis van een groot Boeddha-beeld. Midden in de grot snort een bukhara, een kacheltje waarop het water wordt verwarmd voor de in elke Afghaanse woning onmisbare thee. ,,Ik blijf voorlopig maar hier, want hier krijg je tenminste voedselhulp van het Rode Kruis'', zegt ze.

Veel Hazara's in afgelegen streken die onbereikbaar zijn met de auto zijn nog altijd van hulp verstoken. Veel boeren beschikken bovendien niet meer over zaaigoed en het is maar afwachten of het gebied na jaren van ernstige droogte weer eens kan rekenen op normale hoeveelheden neerslag.

Ezels

Op het terrein van de gezondheidszorg maakt Bamiyan eveneens een nieuwe start. Met hulp van Médecins sans Frontières en het internationale Rode Kruis is de Afghaanse hulporganisatie Suhada druk bezig het lokale ziekenhuis op te knappen. Elke ochtend komen mensen met ezels van heinde en verre met de meest uiteenlopende kwalen. ,,We voorzien hiermee een gebied met een bevolking van zo'n 100.000 tot 150.000 mensen'', zegt de Nederlandse verpleegkundige Hans van Kruisbergen, die optreedt als coördinator.

Van Kruisbergen bevestigt dat de voedselsituatie niet zo dramatisch is als indertijd in bijvoorbeeld Ethiopië of Somalië. Maar veel mensen en vooral kinderen zijn door eenzijdige voeding, kou en gebrek aan hygiëne erg kwetsbaar. ,,Als zo'n klein kind dan een longontsteking oploopt, is dat vaak dodelijk'', zegt Van Kruisbergen.

Ook politiek lijkt het tij voor de Hazara's intussen enigszins gekeerd. Na het vertrek van de Russen eind jaren tachtig vonden de overige etnische groepen het onnodig ook maar één post in het nieuwe nationale kabinet te reserveren voor een vertegenwoordiger van de Hazara's. Dit ondanks het feit dat veel Hazara's moedig hadden meegedaan in de strijd tegen het communistische bewind, daarbij soms financieel en materieel gesteund door het eveneens sjiitische Iran.

Dat de Hazara's politiek niet serieus werden genomen had ook te maken met hun interne verdeeldheid, zegt S.A. Mousavi, auteur van een gezaghebbende studie over de Hazara's. Daarin kwam pas na 1989 verandering met de oprichting van Hezb-e Wahdat, een politieke en militaire beweging onder leiding van Abdul Ali Mazari. Hij wist de Hazara's begin jaren negentig achter zich te verenigen.

In 1995, toen de Hazara's in de vooral door hen bewoonde wijken in het westen van Kabul zwaar werden bestookt door Tadzjieken en anderen, sloot Mazari een akkoord met de toen nog weinig gecompromitteerde Talibaan. Dit bleek een fatale vergissing. Diezelfde Talibaan namen Mazari gevangen en vermoordden hem, een daad waarmee ze de onverzoenlijke haat van de Hazara's over zich afriepen.

Onder Mazari's opvolger Khalili, een man met een vaderlijke uitstraling, wisten de Hazara's hun eenheid grotendeels te handhaven. Hoewel de Talibaan meestal beter waren bewapend, verzette Hezb-e Wahdat zich uit alle macht en niet zelden zonder resultaten. Zo kon het gebeuren dat eind vorig jaar in Bonn in de nieuwe, 27 leden tellende interim-regering voor Afghanistan, liefst zes Hazara's werden opgenomen.

,,Wij werken van harte samen met de interim-regering'', zegt Khalili, al voegt hij er direct aan toe dat premier Hamid Karzai en zijn team in Hazarajat tot dusverre nog heel weinig hebben uitgericht. Dat is overigens een klacht die op veel plaatsen in Afghanistan valt te beluisteren.

Nu de gewapende strijd voorlopig voorbij lijkt, rijst de vraag wat voortaan de rol van Hezb-e Wahdat dient te zijn. Tot dusverre was het vooral een militaire beweging. Kan Hezb-e Wahdat niet worden afgeschaft? ,,Nee, dat zal nooit gebeuren'', voorspelt Khalili. ,,De beweging is uit het volk voortgekomen en ze zal blijven voortbestaan. Maar we zullen ons minder op het militaire en meer op het politieke gaan richten.''

Maar erg concreet zijn de gedachten van Khalili over een Hazarajat en een Afghanistan zonder oorlog nog niet. ,,De mensen hier kunnen eigenlijk nog niet bevatten dat het eindelijk vrede is in dit deel van de wereld'', zegt hij bedachtzaam.