Een leven lang wachten

Ik heb weleens een stukje geschreven voor het kerstnummer van Straatnieuws, de daklozenkrant, en ik koop er regelmatig eentje als een soort entreekaartje voor Albert Heijn. In de krantenstapels ligt nog ergens een vrolijk zomernummer met de vakantiebestemmingen van de verkopers. Frankrijk is ook hun favoriete bestemming. Nog verder daaronder en vandaag ineens onvindbaar ligt een oude bijlage van Vrij Nederland over de dakloze bewoners van Hoog Catharijne in Utrecht. Het is een treurig verhaal over verwaaide levens die alleen nog een wankel houvast vinden in drank en drugs. Maandenlang zag je soms dezelfde gezichten op de vaste hangplekken in en om het Utrechtse Centraal Station en dan ineens waren ze verdwenen. Plotseling was er dan weer een groepje, anders en toch hetzelfde, in hun vermoeide kleren, met afgetrapte sportschoenen en een baseballpetje laag boven de ogen. Als er een vrouw bij is, is ze altijd het middelpunt van een hanig soort luidruchtigheid.

Lia van Doorn kent de wereld van de daklozen van binnenuit. Ze heeft jarenlang als vrijwilliger en als beroepskracht in de Utrechtse daklozenzorg gewerkt. Zo leerde ze niet alleen hun leven goed kennen, maar wist ze ook hun vertrouwen te winnen en kon ze hen ook gedurende een aantal jaren volgen in hun bestaan op straat. Die twee dingen maken dit proefschrift op zich al bijzonder. Participerende observatie gedurende zo lange tijd is zeldzaam en het volgen van enkele tientallen mensen met een zo mobiele en ontwijkende levensstijl als daklozen bijna onvermijdelijk hebben, is erg lastig. Ook Lia van Doorn is het niet gelukt om iedereen te blijven volgen. Van de 64 mensen die zij in 1993 kon interviewen, waren er zeven jaar later 12 niet meer terug te vinden en 5 met zekerheid overleden. In 1997 breidde zij haar onderzoek uit met 20 ex-daklozen, die zij nog drie jaar volgde. In heel Nederland zijn waarschijnlijk zo'n 30.000 daklozen, in een grote stad als Utrecht ruim een kwart miljoen inwoners worden ongeveer 800 echte daklozen vermoed, mensen dus die niet zelf beschikken over een `gegarandeerd onderkomen voor de nacht'. Sommigen slapen bijna altijd buiten, de meesten proberen een bed te krijgen in een van de opvangcentra.

Leven op straat is hard, duur en ongezond. There is no such thing as a free lunch. Ieder kopje koffie moet betaald worden, maar ook iedere gang naar de wc. Zelf voor je eten zorgen is erg moeilijk, de was laten doen is duur en bovendien hebben de meeste daklozen niet veel meer kleren dan ze aanhebben. Wie met meer begint, houdt dat meestal niet lang vol. Opbergen van spullen in een bagagekluis kost geld en alles wat extra is, loopt het risico te worden gestolen. De ervaren dakloze leeft met bijna niets in een tijdloze tijd. Zijn belangrijkste bezigheid is wachten en het regelen van eten en slapen. Ook dat is vaak weer een kwestie van wachten. Daklozen houden zich meestal op in de drukste delen van het stadscentrum, maar zelf hebben ze geen deel aan die drukte. Ze staan overal buiten, al is het niet meer onmogelijk zonder vaste woon- of verblijfplaats voor een uitkering in aanmerking te komen. Zoveel geld ineens is een gevaarlijk bezit voor een dakloze. Hij er zijn maar weinig vrouwen dakloos heeft iedere dag wat geld nodig (dat is soms te regelen) , maar alles wat meer is dan dat beetje lokt diefstal of afpersing uit en trekt profiteurs aan. Bij gelegenheid is hij dat ook zelf. Fietsendiefstal, bedelen, drugsrunner of voor vrouwen prostitutie zijn andere mogelijkheden om aan geld te komen.

Het is niet gemakkelijk om in een land als Nederland dakloos te worden. De `straat' ligt bijna altijd aan het einde van een lange weg van toenemende ellende bij mensen die toch al niet sterk in hun schoenen staan: een gestichtsjeugd, weinig of geen opleiding, psychiatrische problematiek, misbruik van drank en drugs. Verlies van werk of partner en hoge schulden (gokverslaving!) kunnen een toch al wankel evenwicht definitief verstoren. Lia van Doorn laat bovendien mooi zien dat de kans op uiteindelijk volledige dakloosheid nog wordt bevorderd door het verdwijnen van de rafelrand van de woningmarkt in de grote steden. Door de stadsvernieuwing en de gestegen welvaart zijn er geen goedkope pensions of kamerverhuurbedrijven meer. Niemand wil ook nog kostgangers in huis hebben. Tussen zelfstandig wonen en `opgenomen' verblijf (in een ziekenhuis, beschermende woonvorm, gevangenis) bevinden zich alleen nog vormen van begeleid wonen.

De daklozen die toch weer een eigen huis toegewezen krijgen, slagen er meestal alleen met de nodige begeleiding in die woning te behouden en te onderhouden. In het proefschrift wordt heel indringend beschreven hoe moeilijk het is om weer te wennen aan het gewone leven, als je een tijd op straat (een op de drie was al meer dan 5 jaar aan het zwerven) hebt doorgebracht. Het blijft vaak ook een erg klein leven, met niet veel meer dan wat spulletjes van het kringloophuis en een uitkering waarop vaak nog gekort wordt om oude schulden te delgen. Zeker als men geen werk heeft, is de kans op terugval groot.

De hulp- en dienstverlening aan daklozen is in alle grote steden de laatste jaren fors uitgebreid, maar kan bij een vlottende bevolking met vaak zeer moeilijk te hanteren problematiek toch maar beperkt in de behoefte voorzien. Het is natuurlijk ook een rauwe wereld, waar `beginnende' daklozen begrijpelijkerwijs ook zo veel mogelijk afstand van proberen te houden. De meeste daklozen zijn niet onmiddellijk als zodanig herkenbaar en sommigen doen hun uiterste best zo lang mogelijk de schijn van normaliteit op te houden. Dat vraagt veel inspanning en lukt uiteindelijk ook niet. Iedereen die in zijn studententijd als toerist wel eens met niet meer dan een slaapzak is rondgetrokken, weet dat. Alle anderen ruiken het ook.

Wie eenmaal ook voor zichzelf de identiteit van dakloze heeft aanvaard, kan weer opnieuw carrière maken. Eerst door vertoon van `streetwise' gedrag, weten waar de voordeeltjes te halen zijn en vooral weten hoe je je eigen belang moet verdedigen en veilig stellen. Voor sommigen is dat het begin van de weg terug naar de normale wereld, bijvoorbeeld door mee te gaan werken in de opvang of op te klimmen in de hiërarchie van de verkoop van Straatnieuws. Utrecht kent inmiddels zelfs `straatadvokaten', ex-daklozen die zich het lot van hun vroegere maatjes aantrekken.

Ik hou erg van dit soort studies. Ze brengen een akelig, maar ook fascinerend deel van de sociale werkelijkheid in kaart op een manier, die ook over honderd jaar nog informatief zal blijken te zijn. Het is geen journalistiek, al heeft het daar door het gebruik van casuïstiek en de keuze voor de vertellende vorm wel kenmerken van. De hele opzet is onderzoeksmatig en dus systematisch, theoretisch graaft het niet diep, maar conceptueel wordt er wel orde geschapen in een bij uitstek rommelige wereld. George Orwell schreef over zijn eigen tijd als arme zwerver een beklemmend verslag: `Down and out in Paris and London.' Dit is een heel mooie, moderne pendant daarvan, alleen wel een beetje lang. Op een gegeven moment weet je het wel en heb je het ook een beetje gehad met dat gezeur van die daklozen. Nou, dichterbij het echte leven kan je niet komen, maar ik koop wel weer de volgende Straatnieuws.

Lia van Doorn: Een tijd op straat. Een volgstudie naar (ex)daklozen in Utrecht 1993-2000. NIZW, Utrecht, 425 blz. Universiteit Utrecht, 15 maart. Promotores: Prof.dr. P.A.H. van Lieshout, prof.dr. G.M.B. Engbersen.