Een gevoelig baasje op schaatsen

Bart Veldkamp (34) was nog `Bartje' toen hij op de Winterspelen goud won, op de 10.000 meter in 1992 in Albertville. Brons won hij in Hamar ('94) en Nagano ('98), met lege handen keerde hij terug uit Salt Lake City. Stoppen? Geen denken aan.

Dit zou aanvankelijk een afscheidsinterview worden. Want had Bart Veldkamp in Salt Lake City zijn vierde Winterspelen niet als ,,een brug te ver'' betiteld? En had hij na zijn olympische 10.000 meter niet gezegd dat hij zijn laatste wedstrijd ooit had gereden? ,,Een baggerwedstrijd'' had hij geschaatst, als ,,een joker'' was hij over het ijs gegaan, luidde zijn eigen commentaar. ,,Ik ga stoppen'', sprak de schaatsbelg uit Den Haag resoluut.

,,Eerst heb ik er de balen van en dan zeg ik dat ik er mee kap'', zegt Veldkamp tweeënhalve week na de Spelen in zijn hotel in Heerenveen. ,,Daar moet je maar niet meer naar luisteren. Eigenlijk moet ik dan m'n bek houden.''

Nu lacht Veldkamp om het stukje theater dat hij in de Olympic Oval opvoerde. Toen was het welgemeend en had het er veel van weg dat op 22 februari in Salt Lake City een rijke schaatscarrière werd afgesloten. ,,Op dat moment was dat ook zo'', zegt Veldkamp nu. ,,Het was emotioneel. Je werkt er met het team en met de hele familie keihard aan en als het dan zo verkeerd gaat, heeft iedereen het daar moeilijk mee. Op dat moment zit je op een doodlopend spoor. Ik had gedacht, je staat vijftien jaar aan de top en dan is het leuk om dat op een sportief goede manier af te sluiten. Albertville '92-Salt Lake City 2002: tien jaar. Mooie getallen, het klopte allemaal precies; dingen waar ik van tevoren al mee bezig was. En dan gaat het gewoon fout.''

Op de laatste vrijdag van de Spelen, kort nadat Veldkamp de 10.000 meter had voltooid (negende), was het voltallige gezin bijeen in de hal. Niet alleen vader en coach Hans hield zich daar op, ook Veldkamps moeder en zus Evelien verkeerden in de nabijheid van de man om wie het gezin al twee decennia draait. Door de collectieve shocktoestand waren woorden schaars.

Vlak daarvoor, na zijn `laatste' race, had Veldkamp op het middenterrein uit frustratie nog zijn schaatsen met een boogje op het beton gegooid. ,,In de kleedkamer ben ik er ook nog mee in de weer geweest en daar zijn ze echt kapot gegaan. Een tennisser slaat zijn racket kapot, een skiër gooit met zijn ski's. Mensen veroordelen dat, maar ik moet m'n frustratie kwijt. Toneel? Absoluut niet. Er zijn ook sporters die zeggen, ik heb verloren, het ging niet beter en we gaan weer verder. Dan denk ik: wat ben je nou voor een lul? Ben je daar een jaar voor aan het trainen en dan zeg je: het ging niet.''

In de uren daarna voelde Veldkamp zich een zombie. ,,Dan zit je in dat busje van de baan naar het olympisch dorp en denk je: negende. Negende! Alles had ik m'n hoofd, maar niet dat ik negende zou worden op de Spelen. Net geen medaille, dat was het zwartste scenario. Vierde of vijfde.

,,Eenmaal thuisgekomen had ik slapeloze nachten. In Salt Lake viel het nog wel mee. Natuurlijk was het klote, maar ik wilde toch nog een beetje van de Spelen genieten. Ik ben naar de sluitingsceremonie geweest. Maar je loopt daar met een kater rond. Als je terug bent komt de emotie eruit. Ik heb liggen janken in mijn bed. 's Nachts wakker liggen van hoe het kon gebeuren. En dan zei ik tegen mezelf: `ok, ik stop nu'. Maar dan deed ik helemaal geen oog meer dicht: het idee dat je stopt op een moment dat je achteruit schaatst. Het idee dat ik m'n laatste race had gereden. Ik heb gezocht naar mijn diepste gevoel en toen werd duidelijk dat ik door wil en weer goed wil schaatsen. Niet om het geld of om nog bij het wereldje te horen. Gewoon schaatsen zonder geouwehoer. Dat is mijn doelstelling. Had ik dus dit seizoen willen doen, maar ik ben gewoon weer op m'n bek gegaan. En waarom? Omdat het vorig jaar goed ging. EK, WK allround; daar reed ik perfecte lange afstanden. En dan ga je de zomer in met het idee dat je het allemaal onder controle hebt. Het is een verkeerde eigenschap, ik kan te gemakzuchtig worden. Ik dacht: ik ben er.''

Een week na de Spelen rende Veldkamp op het Noordzeestrand de post-olympische depressie van zich af. ,,Volle bak, tegen de wind in.''

Zijn vader zei het al in 1988, nadat Veldkamp er net niet in was geslaagd zich te plaatsen voor de Winterspelen van 1988: ,,Er komen meer mensen terug van de Spelen met een kater dan met een medaille.'' Veldkamp was twintig en hij stond op de drempel van een internationale doorbraak. ,,Ik was de derde man voor de lange afstanden, achter Leo Visser en Gerard Kemkers, en ik hoefde alleen nog maar de selectiewedstrijd te rijden. In januari '88. En daar ging het toen helemaal fout. Door het verwachtingspatroon dat ik had. Denken dat je er al bent. Dat is de rode draad in mijn carrière. Er waren drie wedstrijden van tien kilometer; twee daarvan had ik gewonnen. Eén met een paar seconden voorsprong, de andere met tien seconden verschil, op Herbert Dijkstra (nu tv-commentator NOS, red.), een jongen met veel ervaring. Voor die derde en beslissende 10.000 meter was ik veel te vroeg op de baan; vijf uur van tevoren! Totaal overgeconcentreerd en ik hing maar wat rond. Ik reed 14.29, Herbert 14.19. Dus ging Herbert en niet ík naar Calgary. Doodziek ben ik ervan geweest, want de Spelen, dat is de droom van elke schaatser. Twee dagen ben ik toen niet naar school geweest.

,,Voor mij is het de eerste keer dat ik zonder medaille van de Spelen terugkom. Daar baal ik vreselijk van. Het hele jaar heb ik achter de feiten aan gelopen. Dat begon al met de wereldbekerwedstrijden in november. Je probeert bij te sturen, maar omdat je alleen maar in de achterhoede loopt te harken krijg je geen zelfvertrouwen. Je bent onzeker en voor elke wedstrijd hoop je dat het die keer wel goed gaat. En op de Olympische Spelen trek je het gewoon niet meer. Je kan niet op een beetje hoop een olympisch jaar rijden.''

Bang dat hij de verkeerde beslissing heeft genomen, is hij niet. ,,Als ik vorig jaar niet zo'n goed jaar zou hebben gehad (op 1,4 seconde miste hij de Europese titel, red.) had ik gezegd: nu is het afgelopen. Maar twaalf maanden geleden reed ik de sterren van de hemel. Bijna Europees kampioen en ik reed m'n beste tien kilometers ooit. Dat kan een jaar later niet zomaar weg zijn. Er zat gewoon iets verkeerd.''

Overtraind in de voorbereiding op het olympisch seizoen, was de conclusie. ,,Dat voelt alsof je geen conditie hebt. Dan ga je de wereldbekerwedstrijden in. Dan ben je in Innsbruck en zeg je dat je rustig gaat fietsen. Vervolgens ram ik drie keer een berg op, puur omdat ik 't idee had dat ik te weinig had getraind. Je doet nog meer, om een wereldbekerwedstrijd later helemaal niet meer vooruit te komen. Je denkt: dat herstel komt wel. Niet dus.

,,Het is een hard gelag om dat met het hele team te ervaren, en dat in een olympisch jaar. Precies in het jaar dat je sponsor stopt. Op het moment dat de sponsor dat aankondigt zeg je: `dat maakt niet uit, ik concentreer me op de Spelen'. Maar het speelt toch constant mee. Je denkt, het moet goed gaan, je hebt de verantwoordelijkheid voor het team. Het Optrium komt er nog eens bij. (Veldkamps project om in Rotterdam een complex met een zwembad, wieler-, atletiek- en schaatsbaan te realiseren, red.) Ik dacht, als het bij de Spelen niet lukt, hebben mensen geen respect meer voor je. Of ze denken: die Veldkamp is niet goed. Het slaat nergens op, maar ik ben daar vrij dramatisch in. In een wedstrijd draag je dat met je mee. Als ik dan tijdens zo'n rit voel dat het niet gaat, schiet het allemaal in één keer door mijn hoofd: ja hoor, daar gaat alles. Had ik op de vijf en de tien. De tien was mijn laatste kans. Je denkt: je wordt hier weer keihard op afgerekend, terwijl je jaren hebt laten zien dat het systeem met het team werkt. Je wereld is dan opeens heel klein.''

Veldkamp gaat in gedachten terug naar de 5.000 meter, op de eerste dag van de Spelen. ,,Van start, openen in 18,5. Heel hard voor mij. Vervolgens, eerste rondje 28,5, maar dat voelde al niet goed. Volgende ronde 29,2. Shit. Ik had vijf rondjes 28 willen rijden. Toen een rondje 29,7. Daar gaan we dus, dacht ik. Je kluunt over het ijs. Alsof ik vorig jaar in een Porsche over de Duitse autobahn reed en nu in een Trabant. Zo zwart-wit is het, zo extreem. En dan moet je dus nog negen rondjes. Een martelgang.'' Resultaat: achtste plaats.

,,Goed in vorm zijn, m'n hoofd leeg, zo wil ik schaatsen. Zoals vorig jaar. Mijn droom was altijd dat op de Spelen te doen. Dat is een paar keer gelukt. In '94 ging het ook niet goed, maar won ik toch een medaille. We hebben een goed draaiende organisatie, met veel kennis en ik wil dat continueren. Minimaal nog een jaar als schaatser. Ik denk niet dat ik de Spelen in Turijn haal. Dan ben ik 38. Hallo hee. Dan moet het eigenlijk niet meer kunnen.''

Over de sponsoring van zijn ploeg is Veldkamp nog met enkele aantal bedrijven in gesprek. ,,Er zijn genoeg mogelijkheden voor de komende jaren.''

Trots toont Veldkamp de nieuwste brochure van het Optrium. Het futuristisch ogende sportcomplex is ingetekend naast Ahoy', maar het is nog steeds niet duidelijk op welke locatie de droom van Veldkamp gestalte gaat krijgen. Over enkele maanden verwacht hij een beslissing. ,,Nu denk je: die Spelen, dat is het allerbelangrijkste. Maar als ik tachtig ben, zeg ik misschien, dat ik dat Optrium voor mekaar heb gekregen en zoveel mensen iets te hebben kunnen bieden is veel belangrijker dan welke medaille ook. Maar ja, als we ons hele leven de wijsheid hebben van een tachtigjarige, zou de wereld er heel wat vredelievender uitzien. De mens is altijd bezig met zijn ego. Met `nu' en `ik' en de korte termijn, en daardoor gaat er veel fout in de wereld.''

Veldkamp is het prototype van een sportman die graag wat voor anderen doet. Die eigenschap heeft hij van zijn ouders. ,,Als iemand je hulp kan gebruiken en het is voor jou een kleine moeite, dan doe je dat. Mensen die mij niet kennen, hebben een totaal verkeerd beeld van mij. Ik gooi met m'n schaatsen. Ik kan nijdig worden, maar ik ben niet agressief. Ik ben een heel liefhebbend persoon. Komt mooi tot uiting als ik dronken word, bijvoorbeeld op een banket na een toernooi. Ik hou dan van iedereen, ik vind iedereen fantastisch. Ik ben heel sociaal. Als ik tienduizend gulden over heb, heb ik de neiging een schaatser extra in het team te nemen. Ik heb m'n zus bij ons bedrijf in dienst genomen omdat ze het niet meer zag zitten als leraar door te gaan. Die Belgische kunstrijder, Van der Perre, had veel verhalen over me gehoord. Toen hij me leerde kennen zei hij: `Bart is geen asociale hond'. Zo kom ik over, maar ik ben verre van dat. Ik kies wel mijn eigen weg en als ik daar voor ga, moet alles wijken.''

Dat ondervond zijn ploeggenoot André Vreugdenhil, die er lang van mocht uitgaan dat hij de enige Belgische plek op de WK allround zou bezetten. In januari werd Vreugdenhil zesde bij de EK. Veldkamp (13de) concludeerde dat hij bij de WK niks te zoeken had. Zijn prestaties op de Spelen bevestigden dat, maar de Belgische bond en zijn begeleiders zagen toch liever hem bij de WK dan Vreugdenhil, zegt hij nu. ,,Ik wil dit seizoen nog één keer goed schaatsen op een toernooi, laten zien dat ik dat kan. Als ik slecht rijd en we daardoor geen sponsor vinden, nou ja, dan is dat zo.''

Veldkamp begrijpt dat Vreugdenhil ontgoocheld is. ,,André heeft een mooi jaar en heeft zich ontzettend goed ontwikkeld. Maar hij is pas 24 en heeft nog genoeg WK's voor zich. Ik weet het, andere mensen zullen zeggen, `ouwe lul, rot op'.''