De overstromingen van 1809

Marsman zag denkend aan Holland brede rivieren traag door oneindig laagland gaan en sloot zijn overpeinzing af met de opmerking dat in alle gewesten, de stem van het water, met zijn eeuwige rampen, (wordt) gevreesd en gehoord. Vooral in de tweede helft van de achttiende eeuw steeg het aantal dijkdoorbraken in het Nederlandse rivierengebied plotseling sterk. Werden er in de periode 1700 tot 1750 slechts 28 dijkdoorbraken geteld, in de tweede helft van de achttiende eeuw steeg dit aantal tot 152. Ook hadden de overstromingen een steeds rampzaliger uitwerking. En het werd nog erger.

In de jaren rond 1800 vonden er drie grote overstromingen plaats die nu als Nationale Ramp zouden worden aangemerkt, waarbij die van 1809 de kroon spande. Deze ramp kwam niet onverwacht; de bewoners van de bedreigde gebieden hadden tijdig maatregelen kunnen treffen. Desondanks vonden 275 mensen de dood, verdronken er duizenden stuks vee en werden minstens duizend huizen geheel vernield. Naar schatting 100.000 mensen ondervonden aan den lijve de gevolgen van deze overstroming.

De voorgeschiedenis van de watersnood van 1809 lijkt op die van voorgaande overstromingen. Hierbij was telkens het winterse weer – en niet zozeer perioden van zeer hevige regenval – de oorzaak van het hoge waterpeil. Vanaf medio december 1808 wisselden vorst- en dooiperioden elkaar af. De rivieren vroren snel dicht, maar door de korte dooi-intervallen raakte het ijs telkens weer in beweging en werd het opgestuwd. IJsdammen en hoge waterstanden waren hiervan het gevolg.

De autoriteiten gaven in een stroom verordeningen en richtlijnen uiting aan hun bezorgdheid. Nog voor de jaarwisseling werd gevraagd de buitendijks gelegen schuiten binnendijks te brengen zodat ze, in geval van nood, ingezet zouden kunnen worden voor reddingswerk of hulpverlening. Bakkers moesten extra meel en graan inslaan. Twee weken later kregen de dijkbesturen verlof om onder dwang manschappen, paarden en materialen voor dijkverdediging te vorderen. Indien nodig mochten zelfs de huzaren worden ingezet om dit af te dwingen.

In januari en februari 1809 traden er twee dijkdoorbraken op, die een groot gedeelte van het rivierengebied onder water zetten, van de Ooijpolder ten oosten van Nijmegen tot en met de Alblasserwaard. Omdat de autoriteiten op de ramp waren voorbereid, kwam het reddingswerk meteen op gang. De distributie van de aangelegde noodvoorraden werd tot in detail georganiseerd. Zo werd in de verordeningen precies aangegeven hoeveel per dag per persoon mocht worden verstrekt. Iedereen had recht op een broodrantsoen van 1 pond (toen 700 gram) per dag. Een volwassene ontving daarnaast nog 1/8 pond kaas en elk huishouden ongeveer een halve liter lijnolie voor verlichting. De behoeftigen mochten gratis worden bedeeld.

De landelijke pers besteedde aan de gebeurtenissen in het rivierengebied veel aandacht. Ook de bemoeienis van de centrale overheid was van meet af aan intensief. Daar kwam nog bij dat koning Lodewijk Napoleon juist een bezoek aan het rampgebied bracht toen de tweede golf van doorbraken optrad. De vorst kon slechts op het nippertje in veiligheid worden gebracht. Mede door persoonlijk ingrijpen van de koning trok de centrale overheid – sinds kort een factor van enige betekenis – de coördinatie van de hulpverlening naar zich toe; initiatieven van lagere overheden werden niet langer op prijs gesteld. Ondanks de ernstige economische problemen waarmee Nederland te kampen had werd een nationale inzamelingsactie een groot succes. Terwijl in het verleden bij overstromingen vergelijkbare acties zo'n twee ton opbrachten, werd nu één miljoen gulden ingezameld.

Na 1809 deden in het rivierengebied zich geen overstromingen van deze omvang meer voor. Dat was meer geluk dan wijsheid – pas in de tweede eeuwhelft kwamen geleidelijk de middelen om dijkbreuken structureel aan te pakken. Hiertoe werd de loop van de Rijn en de Maas stapje voor stapje gereguleerd.

In de twintigste eeuw werd de oplossing meer gezocht in versterking van de dijken. Aan de waarschuwing dat naarmate de dijken hoger worden, de eventuele doorbraken een rampzaliger uitwerking zullen hebben – rond 1800 al verwoord door Jan Blanken, vooraanstaand waterstaatsingenieur – werd geen gehoor gegeven.

A.M.A.J. Driessen. Watersnood tussen Maas en Waal – Overstromingsrampen in het rivierengebied tussen 1780 en 1810 (Zutphen, 1994).