Bloemen voor Joan Derk

Waar, o waar is het graf van Joan Derk baron Van der Capellen tot den Pol? Ik wilde naar Gorssel of daaromtrent om er een mooie bos bloemen op te leggen. Lentebloemen ter ere van de nagedachtenis van de grootste democratische pamflettist uit de achttiende eeuw. Zijn naam is misbruikt door Pim Fortuyn. Ik wil eerherstel voor deze geduchte patriot, die in Nederland het idee van de Verlichting, de volkssoevereiniteit en de gelijkheid van allen voor de wet heeft verspreid.

Het graf van de Van der Capellens bestaat niet meer. Het is in 1787, drie jaar na zijn dood, vernield door Orangisten die het bijbehorende monument met buskruit in de lucht hebben laten springen. De lichamen van Joan Derk en zijn vrouw waren toen al in stilte naar een veiliger plaats gebracht. ,,Waarheen, weten wij niet'', zo is te lezen in het voorwoord van het echtpaar Wertheim bij de heruitgave uit 1966 van Van der Capellens beroemde geschrift Aan het volk van Nederland.

Ik wil een kleine kanttekening toevoegen aan het overdadig vele dat al is opgemerkt naar aanleiding van het deze week verschenen boek De puinhopen van acht jaar paars van Pim Fortuyn. Deze vereenzelvigt zich namelijk met Van der Capellen tot den Pol en heeft zich zelfs tot diens opvolger uitgeroepen. (Een eerder geschrift, gepubliceerd in 1992, werd door Fortuyn voorzien van de titel Aan het volk van Nederland). Het zal mogelijk weinig Rotterdamse en andere kiezers interesseren, maar ik wil dit gezegd hebben: Fortuyn is geen Van der Capellen tot den Pol. Het zou nog minder lachwekkend zijn als Marcel van Dam zich tot de hedendaagse Multatuli uitriep.

Natuurlijk heb ik het over allure en schrijverschap, maar afgezien daarvan, neem nu eens het volgende citaat uit Van der Capellens democratisch manifest: ,,Nog eens. Alle mensen zijn vrij geboren. De een heeft van nature over de ander niets te zeggen. De ene mens is wel wat verstandiger van geest of wat sterker van lichaam of wat rijker dan de ander; doch dat geeft hun, die verstandiger, sterker of rijker zijn, niet het minste recht om over de minder verstandigen, minder sterken, minder rijken te heersen. God, ons aller vader, heeft de mensen geschapen om gelukkig te worden en aan alle mensen – niemand uitgezonderd – de verplichting opgelegd om elkaar zoveel mogelijk gelukkig te maken.''

Vergelijk dit nu eens met wat Fortuyn deze week als hoogste wijsheid publiek maakte: ,,De islam en zijn cultuur heeft het voor het zeggen in zijn deel van de wereld. Daar staat tegenover dat wij het voor het zeggen hebben in ons deel van de wereld en dat wie van ver en bovenal van anders komt (sic) zich heeft aan te passen. Niet aan alles, maar wel aan wat wij zien als onze kernnormen en -waarden, daarin zijn wij fundamentalisten en behoren dat ook te zijn.''

Tegen het door Van der Capellen zo harstochtelijk bepleite gelijkheidsbeginsel verzet Fortuyn zich niet, hij omarmt het, al heeft hij zich voorstander getoond van de afschaffing van het grondwetsartikel waarin het gedachtegoed van Van der Capellen uiteindelijk is neergelegd. Zijn voortdurende gehamer op `onze' normen – waaraan tegelijk in tegenspraak tot het voorgaande universele pretententies worden toegekend – is de ontkenning van wat Van der Capellen betoogde: de leden van de maatschappij ,,zijn van nature aan elkaar gelijk, en de een is niet onderworpen aan de ander''.

Daarbij behoorde religieuze verdraagzaamheid. ,,De toestand der Roomschen in ons Land doorboort mij de ziel'', schreef de patriot, die zelf geen katholiek was. Vergelijk dit met Fortuyns wens geen enkele aanhanger van de islam toegang tot Nederland te verschaffen. Wij zijn er niet van gediend, schrijft hij, ,,dat in ons deel van de wereld, dat der moderniteit, de een of andere Ali Baba komt vertellen hoe wij hier moeten leven en het moeten doen''. En dan laat ik zijn uitval naar wat hij ,,de joodse lobby'' belieft te noemen maar even terzijde.

Fortuyn werpt zich op als verdediger van ,,de moderniteit'' tegen de achterlijkheid. Joan Derk van der Capellen tot den Pol was in Nederland een van de grondleggers van de moderniteit, zou je kunnen zeggen. Fortuyn daarentegen is een neo-conservatief die eerder trekken vertoont van een politieke vorm van postmodernisme dan van moderniteit. In plaats van consistente ideeën over vooruitgang, emancipatie en rationaliteit, waarmee de moderniteit werd gelegitimeerd, verwijdert hij zich van de werkelijkheid met een postideologisch ratjetoe van ongelijksoortige vondsten, nadruk op cultuurverschillen, stijlfiguren uit de jaren vijftig en een verzameling verongelijkte kreten. Alles goed en wel, maar laat Van der Capellen daarbuiten.

Ik hoorde Fortuyn zich op drie televisiezenders erover beklagen dat hij nooit eens hardop heeft mogen zeggen wat hij van de multiculturele samenleving vindt. Alsof hij de afgelopen tien jaar gezwegen heeft en Elsevier verboden was.

Van der Capellens geschrift, om de vergelijking nog eventjes aan te houden, was door het stadhouderlijk gezag verboden, zelfs op het bezit ervan stonden zware straffen en wie de, noodgedwongen anonieme, schrijver zou aanbrengen mocht rekenen op een flink bedrag aan Gouden Rijders.

Het geschrift van Fortuyn zinkt in het niet bij dat van de burgerbaron uit de achttiende eeuw. Het is behaagziek, megalomaan en eclectisch. Het is niet racistisch, maar heeft wel een ondertoon van superioriteitsdenken en xenofobie. Zijn `eigen' Elsevier plaatste hem deze week vol trots in een Europees perspectief van onderling verwante extreem-rechtse en anti-Europese politici als de Oostenrijker Haider en de Belg Dewinter van het ,,bruin geachte'' Vlaams blok (ten onrechte bruin geacht?). Triomfantelijk klinkt de constatering dat ,,correct Nederland'' en de ,,correcte Hollandse kring'' eindelijk hun trekken thuis krijgen. ,,Ook in Nederland heeft een belangrijk deel van de bevolking genoeg van de sussende taal over asielcentra, islam, criminele allochtonen en ongebreidelde gezinshereniging.''

Als Joan Derk, apostel van verdraagzaamheid en verlichting, ergens een graf heeft, dan is die onbekende plek nu omgewoeld omdat de patriot zich woedend heeft omgedraaid. Hoe profetisch waarschuwde hij in 1781 het Volk van Nederland ,,tegen fortuinzoekers'' in het openbare leven.