Wat gekken zelf te vertellen hebben

Roy Porter was een flamboyante, spraakmakende en gedegen onderzoeker van de geschiedenis van de psychiatrie. In zijn laatste, compacte boekje zijn veel elementen van zijn eerder werk terug te vinden.

De onlangs overleden Britse historicus Roy Porter (1946-2002) was gegrepen door de waanzin – het `mysterie der mysteriën', zoals hij het uitdrukt in zijn laatste boek, Madness. A brief history, dat kort voor zijn dood verscheen. Porter, die net met vervroegd pensioen was gegaan om te genieten van zijn hobby's (reizen, trompet spelen en tuinieren), schreef tijdens zijn succesvolle carrière over uiteenlopende onderwerpen als de Verlichting in Engeland, hekserij en de geschiedenis van Londen.

Een groot deel van zijn werkzaamheden besteedde hij echter aan medische geschiedenis, in het bijzonder de geschiedenis van de psychiatrie. Hebben we niet allemaal, schreef Porter ooit, bij tijd en wijle het gevoel `dat het Leven zelfs onze eigen ultra-gezonde persoontjes op een dag over de rooie zou kunnen drijven?' Daarom zijn we zo geïnteresseerd in de kwellingen en kronkels van de waanzin, met haar buitenaardse stemmen en visioenen, onweerstaanbare krachten, identiteitsverlies en pieken van wanhoop en euforie.

De in Cambridge opgeleide Porter was één van de eerste historici die zich serieus bezighielden met de geschiedenis van de psychiatrie, een vakgebied dat lange tijd werd gedomineerd door psychiaters met historische belangstelling. Tijdens de jaren tachtig en negentig ontwikkelde de geschiedenis van de psychiatrie zich tot een zelfstandig historisch onderzoeksterrein, met een eigen tijdschrift en internationale congressen. Porter was een bezielende docent en onderzoeker, werkzaam als hoogleraar in de sociale geschiedenis der geneeskunde aan het Londense Wellcome Trust Centre for the History of Medicine, en speelde in dit professionaliseringsproces een belangrijke rol als organisator en inhoudelijk vernieuwer. Zo betoogde hij in het klassiek geworden A social history of madness. Stories of the insane (1987) dat meer aandacht moest worden besteed aan de verhalen van geesteszieken zelf. Die zouden niet alleen een spiegel zijn van de tijd waarin ze leven, maar de hele mensheid een spiegel voorhouden. De ervaringen van `waanzinnigen' vestigen de aandacht op de beperkingen van de rationaliteit waarop iedereen graag vertrouwt. Ook brengen ze de `hypocrisie, de dubbele moraal en de spijkerharde onverschilligheid van de gezonde maatschappij' aan het licht.

Antipsychiatrie

Porter was duidelijk beïnvloed door de filosoof Michel Foucault en door kritische psychiaters als David Cooper en Ronald Laing. De `antipsychiaters', populair in de jaren zestig en zeventig, zagen hun patiënten als slachtoffers van psychiatrie en maatschappij, die uit zouden zijn op onderdrukking van emotionaliteit, creativiteit, werkloosheid en alles dat de sociale harmonie maar kon bedreigen. Maar het was zeker niet Porters bedoeling om zich `met de kanonnen van de geschiedenis aan de zijde van de antipsychiatrie te scharen', zoals hij het zelf verwoordde. Hij uitte kritiek op Foucaults ongenuanceerde beeld van een `grote opsluiting' van onaangepaste burgers, die in Europa vanaf de zeventiende eeuw zou hebben plaatsgevonden.

De massale opname van geesteszieken in inrichtingen kwam pas later op gang, betoogde Porter, en werd bovendien niet zozeer afgedwongen door de staat als wel mogelijk gemaakt door liberale marktwerking. Particuliere ondernemers gingen in de achttiende eeuw zorg voor psychisch gestoorden aanbieden, en familieleden van patiënten kochten deze nieuwe dienst graag in. In de negentiende eeuw begon de overheid zich te bemoeien met de kwaliteit van deze psychische hulpverlening en richtten staten in toenemende mate zelf psychiatrische instellingen op. Vanuit deze inrichtingspraktijk, die de behoefte kweekte aan professionals die de groepen patiënten konden beheersen en zo mogelijk genezen, ontstond de wetenschappelijke psychiatrie. Daarbij maakte de opeenhoping van geesteszieken observatie beter mogelijk, en daarmee een verfijndere psychiatrische diagnostiek. De patiënten zelf waren vaak niet blij met hun opname. Hun verhalen lezen voor een belangrijk deel als een lange aanklacht tegen hun behandelaars, constateert Porter in Madness. A brief History. Soms getuigden egodocumenten echter wel van tevredenheid.

De werkelijkheid is altijd gevarieerder en rommeliger dan ideologieën willen, benadrukte Porter, die de geschiedenis dan ook niet wilde gebruiken om standpunten over de huidige psychiatrie te staven. Liever bracht hij het historische debat in kaart over de vraag wie `gek' was en wie `normaal', zoals bediscussieerd door een bont gezelschap van filosofen, geestelijken, politici, kwakzalvers, psychiaters, kunstenaars en mensen met psychische stoornissen.

Stereotypen

In Madness. A brief history keren veel elementen uit Porters eerdere werk terug. Voor de kenner bevat het boek niet veel nieuws, maar het is wel een heerlijk geschreven en mooi uitgegeven introductie in de geschiedenis van de psychiatrie. Het boek beslaat de periode van de oudheid tot nu en stelt onder meer vast, dat in het westen bepaalde stereotype beelden van de waanzin steeds terugkeren. De wijze idioot, de geniale of artistieke 'gek': het zijn oude culturele metaforen. Ook bestaat er een lange traditie van flirten met melancholie. Een lichte depressie werd vaak afgeschilderd als teken van superieure gevoeligheid en intelligentie. Het leven is immers geen pretje, en alleen ongevoelige domkoppen stampen vrolijk voort van geboorte tot dood.

Naast deze culturele stereotypen telt de westerse geschiedenis een aantal dominante visies op het ontstaan van geestesziekte. Oud en hardnekkig is de visie op geestesziekte als bovennatuurlijk proces – als vorm van bezetenheid dan wel als `heilige waanzin', die mensen in staat stelt contact te hebben met geesten, godheden, of de gedachten en emoties van anderen. In Griekse tragedies ontstond het beeld van psychische stoornissen als gevolg van een innerlijk conflict in het individu: een strijd tussen het liederlijke lichaam en de superieure ratio, bijvoorbeeld, een worsteling met schuldgevoel of een gevecht tussen egoïsme en verantwoordelijkheidsgevoel.

In deze visie is de psychische crisis een loutering, een stap op weg naar hoger zelfinzicht. Eveneens in de oudheid onstond de notie dat psychische problemen ziektes waren van het brein: een nutteloze individuele natuurramp. In de zeventiende eeuw tenslotte betoogde John Locke dat geestesziekten cognitieve problemen waren: ze zouden ontstaan door een verkeerde redenering, die kon worden opgespoord en rechtgezet.

In diverse variaties en combinaties, en met wisselende nadruk, bepalen deze denkbeelden het historische denken over psychische stoornissen – zowel dat van hulpverleners als van patiënten. Nog steeds, aldus Porter, is de psychiatrie een verscheurd vak. Zelf was hij er niet op uit om uitspraken te doen over de aard van waanzin. Desondanks schemerden zijn voor- en afkeuren door in zijn werk. Freud noemde hij de belangrijkste figuur uit de geschiedenis van de psychiatrie. Over de huidige dominantie van de biologische psychiatrie liet Porter zich zuinigjes uit. Tegenwoordig dreigt de klinische psychiatrie steeds meer bepaald te worden door psychofarmaca, meende hij: een geval van `de staart die kwispelt met de hond.'

Volgens Porter stellen de nieuwe medicijnen tegen psychosen en depressies die sinds de jaren vijftig zijn ontstaan de psychiatrie ongetwijfeld in staat om beter te functioneren, maar is het kalmeren van patiënten met behulp van drugs bepaald niet het toppunt van succes. Kritisch noteerde hij ook dat het Diagnostic and Statistical Manual (DSM), het diagnostisch handboek van de psychiatrie, tegenwoordig 943 pagina's beslaat, en dat één op de drie burgers tegenwoordig met een psychiatrisch problemen te maken heet te krijgen.

Romanticus

Porter werkte zijn kritiekpunten helaas niet verder uit. In waarschijnlijk het laatste populaire artikel van zijn hand, dat op 25 februari j.l. verscheen in de New Statesman, stond hij zichzelf echter enige nostalgie toe. Hij schreef dat het aloude culturele stereotype van de `positieve' waanzin, waar mensen iets van kunnen leren of die hen talent oplevert, op z'n retour was. De anti-Romantische tijdgeest vindt het cynisch, morbide en genotzuchtig om psychische ellende te verheerlijken. Daarbij worden artistieke patiënten aan het zicht onttrokken doordat ze onder de pillen zitten of omdat hun werk nu `creatieve therapie' wordt genoemd. Exit de `mad genius'.

Een nieuwe categorie is hiervoor echter in de plaats gekomen, aldus Porter: de bekentenisliteratuur, waarin mensen hun worstelingen beschrijven met depressies, eetstoornissen of zwangerschapspsychosen. `We kunnen het een doorbraak noemen, en een triomf van de eerlijkheid over de formule, dat gekwelde zielen zich niet langer gedwongen voelen om zichzelf te folteren om te voldoen aan het stereotype van het krankzinnige genie', besluit Porter. Het is duidelijk dat hij het persoonlijk niet erg op had met `solipsistische' confessieliteratuur, en meer sympathie koesterde voor de `sublieme Blakeiaanse visioenen' van weleer. Deep down was Roy Porter een romanticus.

Roy Porter: Madness. A Brief History. Oxford University Press,

192 blz. €24,14