Vitaal in augustus

Cesare Pavese (1908-1950) was iemand die de mythe als onderwerp inlijfde en zelf het onderwerp van mythologisering werd; zijn melodramatische levensloop – een jong gestorven vader, verbanning in de oorlogstijd en een karrenvracht liefdesverdriet– mondde onvermijdelijk uit in zelfmoord. Het traject naar die eindbestemming werd nauwkeurig vastgelegd in het dagboek Leven als ambacht, zijn meesterwerk en ook zijn enige boek dat bij vlagen de lezer doet huiveren.

Zijn verhalend proza, daarentegen, waaronder de acht romans die nu in een voorbeeldige, gebonden editie zijn gebundeld, maken een merkwaardig kille indruk. Misschien door de thematiek, die enigszins verouderd aandoet ondanks de ennui en angst waarmee de personages woorden geplaagd. Misschien ook door de ietwat steriele stijl, die maakt dat je vrijwel geen zin tegenkomt die je omhelst of die je zelf zou willen omhelzen.

Typische Pavese-zinnen zijn bijvoorbeeld: `Die ochtend hadden we het over de bossen' (uit De duivel op de heuvels) en `Ik had geen droevige ervaringen, ik wist dat 's nachts de hele stad in vlammen op kon gaan en mensen konden sterven' (uit Het huis op de heuvel). Of: `Als ik piano hoorde spelen, keek ik wel eens naar mijn eigen handen, en ik begreep dat er tussen mij en de meesters, tussen mij en de vrouwen, heel wat verschil was' (uit De maan en het vuur). Het zijn zinnen waaruit een zonderling flegma spreekt, zinnen die je minstens twee keer moet lezen, en dan nog blijven ze in zichzelf gekeerd. Als zodanig weerspiegelen ze het isolement waarin de meeste van Paveses hoofdpersonages zich met een zekere kalmte verschansen. Terwijl om hen heen de stad Turijn vibreert van een zomerse hitte, van hitsige vrouwen, van grensoverschrijdende avonturen, trekken zij zich terug in de Piëmontese heuvels, op zoek naar de mythische onschuld en maagdelijkheid van het platteland, waar zich ooit een gelukkige kindertijd heeft afgespeeld.

Die tegenstellingen tussen het voze stadsleven en het zuivere landleven, tussen decadentie en vitaliteit, kortweg tussen cultuur en natuur hebben hun wortels in het werk van de grote Italiaanse dichter Giacomo Leopardi (1798-1837). Net als bij Leopardi maakt die lofzang op de natuur bij Pavese geleidelijk aan plaats voor een veel gecompliceerdere, van weemoed doortrokken opvatting, waarin de natuur een metafoor wordt voor het verloren paradijs en tegelijk een meedogenloze en onbevattelijke kracht uitstraalt.

Tussen en over de heuvels (even zovele afbeeldingen van de moederborst) slenteren Paveses jonge anti-helden, druk pratende leeglopers die met beheerste wanhoop op zoek zijn naar een vademecum in een onherbergzame wereld. Soms valt er een fataal schot (zoals in De duivel op de heuvels), soms klinkt er een nachtelijk luchtalarm (in Het huis op de heuvel), soms huilt er iemand of blaft er een hond, maar meestal heerst er een onheilspellende roerloos- en doelloosheid in het gesloten universum van Pavese.

Die onmacht deel te hebben aan het leven contrasteert met de zinderende hitte van de maand augustus, de maand waarin vrijwel alle vertellingen van Pavese zich afspelen. Daarmee lijkt de auteur te willen zeggen dat de enige echte vitaliteit in onze werkelijkheid in het natuurgeweld schuilt. Wat de mens daarentegen uitspookt, hoe hevig hij ook de zonde najaagt (zoals de meisjes in De mooie zomer) of zich probeert te engageren, hij blijft een zielloos schepsel, die nooit meer wortel zal schieten en voor eeuwig verbannen door de straten van Turijn of tussen de wijngaarden van Piemonte zal dwalen.

Een dergelijke filosofie van de vervreemding en de desillusie was geen uitzondering in de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog en zie je in Italië terug in de (vroege) films van Visconti en Antonioni, die overigens een gitzwarte verfilming van Paveses roman Vriendinnen maakte. Maar waar die films door hun melodramatische kracht (Visconti's Ossessione bijvoorbeeld) of verbluffende beeldcomposities (L'Avventura en l'Eclisse van Antonioni) nog altijd een enorme impact hebben, daar bewerkstelligen de romans van Pavese met hun symbolische, volstrekt humorloze realisme en haast hermetische soberheid amper nog de spreekwoordelijke rilling over de rug. Misschien dat de schrijver dit toekomstperspectief wel vermoedde toen hij op 18 augustus 1950 zijn dagboek afsloot met de woorden: `Dit is allemaal weerzinwekkend. Geen woorden. Een gebaar. Schrijven doe ik niet meer.'

In de serie vertaalde klassieken deze week

`Jouw land' van Cesare Pavese

(vert. Martine Vosmaer, Max Nord e.a., De Bezige Bij, 863 blz. euro 53,50)