Vernedering en wraak

Woonruimte is in Rusland nog steeds de belangrijkste voorwaarde voor een menswaardig bestaan. Heb je een dak boven je hoofd, dan ben je een mens. Verlies je je dak, dan verlies je je menselijke waardigheid. Russische woonkazernes zijn een verhaal apart. Donkere entreehallen, zwak verlicht door minuscule peertjes, leiden naar krakkemikkige liften in ijzeren kooien, die krakend en piepend toegang geven tot lange gangen met gecapitonneerde deuren. Achter die deuren ligt doorgaans een stapel pantoffels en een wirwar van te kleine kamertjes, volgestapeld met boeken, kranten, leef- en eetgerei. Schoongemaakt wordt er zelden. Er hangt een wat muffige geur van etensresten, sigaretten en een te heet afgestelde centrale verwarming. Toonbare meubelstukken zijn schaars, ijskasten vooroorlogs, op televisietoestellen sneeuwt het geheid, en elke bank doet bij gelegenheid dienst als bed.

In zo'n flatgebouw speelt Underground, een dikke postcommunistische roman van Vladimir Makanin, een al niet meer zo jonge Russische schrijver (geboren in 1937 in Orsk in de Oeral) van wie ik nog nooit had gehoord. Ik heb het met stijgende beklemming gelezen.

De hoofdpersoon is een schrijver die nooit is uitgegeven. Ook na de val van het communisme is hij blijven steken in `de underground', zoals de culturele elite van de Sovjet-Unie het niemandsland noemde waarheen zij door de censuur en de autoriteiten was verbannen. In de underground had je aanzien, met de bovenwereld wilde je niets te maken hebben. In de underground was je een vrij mens.

Ook Petrovitsj heeft in zijn jeugd de deur platgelopen bij uitgevers van dikke literaire tijdschriften, met beduimelde manuscripten onder zijn arm die altijd zoekraakten, na maandenlang in stoffige kasten van ongeïnteresseerde redacteuren gelegen te hebben. Wie weet was het ook niet zozeer de literatuur waar hij voor leefde, maar de status van de gefnuikte auteur, de Russische bohémien en `intelligent', zoals de vertegenwoordigers van de intelligentsia zich noemen.

Na het afsterven van het communisme wisten sommigen van hen buitenlandse uitgeverijen voor hun meesterwerken te interesseren – in het Westen bestond korte tijd een markt voor onderdrukte Russische schrijvers. Maar Petrovitsj weet ook van deze kortstondige bloeiperiode niet te profiteren. Hij houdt zich in leven door op woningen te passen van Russen die tijdelijk naar het buitenland verdwijnen en trekt zo in het flatgebouw van appartement naar appartement, van bed naar bed, van vrouw naar vrouw, van drinkgelag naar drinkgelag. En passant pleegt hij twee moorden.

Underground heeft als ondertitel `Een held van onze tijd', naar de gelijknamige Russische klassieker van Michail Lermontov uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Zoals Lermontov met zijn romanheld Petsjorin – een nihilistische dandy en rokkenjager – in de Russische literatuur het prototype van `de overbodige mens' heeft geïntroduceerd, zo wil Makanin de lezer het prototype van `de sovjet-Rus' voortoveren en dat is een vernederd mens die zint op wraak. Qua stijl en onderwerp doet Makanin dan ook eerder aan Dostojevski denken dan aan de lichtvoetige ironische Lermontov. Maar met een citaat van Lermontov maakt Makanin aan het begin van zijn boek zijn bedoeling duidelijk: `Een held... is een portret, maar niet van één mens: dit portret is samengesteld uit de gebreken van onze hele generatie in hun volledige ontwikkeling'.

En dat zijn er nogal wat. Makanins held beschrijft zijn leven met afstandelijk-ironische blik als een puur fysieke strijd om het bestaan. Overleven is zorgen dat je niet dakloos wordt, dat je geen honger hebt en op tijd een fles-met-gezelschap en wat vrouwelijke warmte weet te organiseren. Zo begint de roman: `Schoenen uit, blootsvoets over de tapijten. De makkelijke stoel wacht; geen Rus zou Heidegger lezen, als Bibichins vertaling er niet was geweest! Maar nauwelijks was ik verstard, zogezegd in geestelijke verstilling voor mijn dagelijkse portie hier en nu of ik hoorde iemand stommelen bij de deur. De bel. Ik doe open – zonder ook maar een blik door het glazen oog te werpen: ik weet zo al dat het een welmenend iemand is van het bruiloftsgelag op onze verdieping dat op zijn eind loopt maar nog luidruchtig is. En ja hoor: Koernejev. De man van Vera. Valt mee.'

Makanin schetst genadeloze portretten van de flatgenoten van Petrovitsj, die op een volstrekt berekenende wijze relaties met elkaar aangaan (heb je nog een fles, heb je nog een bed, heb je nog wat geld, heb je nog een woning?). In die relaties ontbreekt iedere moraal. Omdat de mens niet of nauwelijks enige invloed op zijn leven heeft, draagt hij ook geen verantwoordelijkheid voor zijn daden. Hij is vertrapt en vernederd en zint op wraak. En dus steekt Petrovitsj op een avond zonder enig mededogen een Kaukasiër dood die voor hem een grens overschrijdt. De Kaukasiër komt naast hem zitten op een bankje en sommeert hem zijn geld en sigaretten af te staan. Het is de nonchalance waarmee hij het doet – hij neemt niet eens de moeite om Petrovitsj ordentelijk te beroven, nee, de man eist gewoon dat hij zijn zakken leegt. Dat gaat zelfs een vernederde te ver. Maar Makanin is een eeuw sadder and wiser dan Dostojevski, en dus heeft Petrovitsj geen enkele last van gewetenswroeging.

En bij die ene moord blijft het niet. Petrovitsj rekent ook nog af met een kleine KGB-verklikker die hem in een dronken bui weet uit te horen over de literaire scene. Daarmee wordt Petrovitsj van het ene moment op het andere een informant-tegen-wil-en-dank en ook deze nieuwe vernedering kan maar op één manier worden gewroken.

Underground is een studie in vernedering en wraak. Met Petrovitsj gaat het van kwaad tot erger. Als de bewoners van het flatgebouw nerveus worden wegens de op handen zijnde privatisering van het woonbestand, keren ze zich opeens collectief tegen hem, omdat ze vermoeden dat de dakloze oppasser er wel eens met een woninkje tussenuit zou kunnen knijpen. Hij belandt in een opvanghuis voor onbehuisden en, na een angstaanval over de ontdekking van zijn moordpartijen, in de psychiatrische inrichting waar zijn geniale broer al twintig jaar door de beulen-in-witte-jassen wordt platgespoten. Ook hier nemen de ziekenbroeders en doktoren doorlopend wraak op hun machteloze patiënten. Het huilen staat de lezer inmiddels nader dan het lachen.

En toch is Underground geen larmoyant boek, integendeel. Petrovitsj vertelt zijn verhaal onderkoeld en feitelijk, ja bijna dierlijk fysiek. En uiteindelijk overleeft hij ook bijna als een dier, door niet op te geven, hoe uitzichtsloos zijn situatie ook lijkt. Door zijn onthechte manier van leven krijgt hij iets onkwetsbaars. Wat ze ook met hem uitspoken, hij blijft overeind en aan het eind van het boek keren de kansen. Hij komt uit de inrichting, zijn moorden blijven onontdekt en het flatgebouw neemt hem weer liefdevol op.

Bijna dierlijk zijn ook Petrovitsj' verhoudingen met vrouwen. Hij gebruikt de vrouwen en zij gebruiken hem. Het lijkt een totaal cynische verhouding. Toch is hij geen gevoelloos mens. Als een van zijn tijdelijke vriendinnen verlamd raakt door een hersenbloeding, verzorgt hij haar liefdevol alsof ze een hulpbehoevende poes is. Haar roerloze lichaam brengt hem zelfs in vervoering.

De titel van het slothoofdstuk is weer een literaire verwijzing. `Een dag uit het leven van Venedikt Petrovitsj' verwijst naar de bijna gelijknamige novelle waarin Solzjenitsyn een dag in het stalinistische kampleven van Ivan Denisovitsj beschrijft. Ook Ivan Denisovitsj was zo'n overlever. Zijn hele dagritme was gericht op één ding: overeind blijven in onmenselijke omstandigheden.

In het slothoofdstuk van Underground mag Venedikt, de broer van Petrovitsj, een dag mee, de inrichting uit, naar zijn broers appartementen in het flatgebouw. Een zombie op verlof. Als Petrovitsj hem tegen zijn zin terugbrengt naar de inrichting, wordt hij ruw door de ziekenbroeders ingerekend. `Hij duwde hen weg. Zachtjes zei hij tegen de broeders, tegen allebei, alsof hij er genoeg van had: `Niet duwen, ik kan het zelf!' En hij rechtte zijn rug, op dit ene ogenblik – een Russisch genie, vertrapt, vernederd, gemaltraiteerd, in de stront, maar toch niet duwen, ik kom er wel, ik kan het zelf'.

Waar eindigt een menswaardig bestaan? Die filosofische vraag bekruipt je bij het lezen van Underground voortdurend. En het onvermijdelijke `Kto vinovat?' Wiens schuld is het? Hebben we hier te maken met een totaal vrije mens, die niet gehinderd wordt door de conventies van de materialistische maatschappij, zoals Arthur Langeveld, die het boek voortreffelijk heeft vertaald, in zijn nawoord zegt? Ik weet het niet. Petrovitsj is een Russische intellectueel die aan de grond zit. Zit hij daar omdat hij bewust voor de underground (en de drank) heeft gekozen of omdat de omstandigheden hem gemaakt hebben tot wie hij is? Voer voor marxisten. Makanin geeft geen antwoord.

Vladimir Makanin: Underground of Een held van onze tijd.

Vert. Arthur Langeveld.

De Arbeiderspers, 571 blz. €31,75