Toen ging ik naar Knokke

Ilonka Biluska: ,,De enige bom die in de oorlog op Maassluis viel, trof het huis van mijn ouders. Niemand wist in die tijd dat een ontploffende bom zo'n gehoorschade kan aanrichten.

Vroeg in de jaren vijftig, op mijn twaalfde, zijn we naar Zuid-Afrika geëmigreerd. Een vriendinnetje had een klassieke zangopleiding bij een zanglerares. Ik wilde ook graag zangles. Toen stond er een advertentie in de krant van een zangleraar uit Amerika, die nog met Frank Sinatra had gezongen. Nou, die man wist van wanten. Hij zette je voor de spiegel en je kreeg begeleiding met grammofoonplaten waarop je thuis kon oefenen. De Amerikaanse methode. Hij stuurde ons eropuit om overal te zingen.

Ik zat op een privé-school en toen bekend werd dat ik `pop' zong werd ik bijna van school gestuurd. Zuid-Afrika was heel conservatief. Ik liep er toch al de kantjes af. Toen zei mijn vader: `Als je het gymnasium niet haalt dan ga je maar op kantoor werken.' Dat leek me vreselijk en toen ben ik heel hard gaan studeren. Ik slaagde.

Een filmproducer had me zien optreden en bood me een filmrolletje aan. Maar wanneer ik nerveus was, ging mijn oog trekken. En natuurlijk was ik met die filmtest doodnerveus. Uiteindelijk lieten ze me de soundtrack zingen. Ik vond dat er iets aan dat oog gedaan moest worden, wilde ik verder komen in showbusiness. Daarom ben ik naar Nederland gegaan voor een oogoperatie.

Je ging zingen – niet met het idee om beroemd te worden, maar omdat je goeie muziek wilde maken. Als je er beroemd mee kon worden, dan was dat mooi, dan kreeg je meer werk. Als het zingen met het orkest lekker gaat en het swingt, dan is dat heerlijk! Dat is het mooiste wat er is.

Ik ging logeren bij een oom en tante in Scheveningen. De operatie was geslaagd, maar ik kreeg een ontsteking, liep met zo'n dik oog rond, dus moest ik nog even blijven. Mijn plan was naar Engeland te gaan. Iedereen die iets in de muziek wilde bereiken ging naar Engeland.

Via kennissen kreeg ik de kans om auditie bij de Avro te doen. Ik rolde van het een in het ander. Mijn eerste Nederlandse plaatje was een vertolking van `The lion sleeps tonight'. Ze dachten zeker: `Ze komt uit Afrika, dan maar iets met een leeuw.' Ondertussen trok mijn oog bij. Ik belde naar huis: `Ik blijf nog even, want ik krijg allemaal leuke dingen te doen.' Toen werd ik gevraagd voor Knokke.

Nederland had nog nooit gewonnen. Ik weet nog dat ik opgetogen riep: `Ik ga naar Knokke!' `Ooh', zei iedereen, `Geen schijn van kans, je wint daar nooit.' De eerste avond in het gastland wonnen we al. Daarna moesten we tegen Frankrijk uitkomen. Frankrijk was altijd favoriet. `Geen schijn van kans.' En toen wonnen we! Ik was in één keer beroemd. De telefoon stond roodgloeiend van mensen die me wilden engageren. Zo ben ik er min of meer ingefladderd. Van naar Engeland gaan of terug naar Zuid-Afrika was toen verder geen sprake meer.

Ik kon leven van het zingen. Niet dat je zegt: `God, wat een inkomen', maar toch. Een heel uitgebreid repertoire met meer dan tweehonderd nummers. Ik werd veel gevraagd, maar steeds vaker bepaalde de platenmaatschappij wat ik moest doen. Tijdens een plaatopname stond ik te zingen: `Tsjoeketsjoek, ik kom naar jouhouhou'. En ineens dacht ik: Dit kan toch eigenlijk niet. Er moest iets veranderen, dit was onbevredigend.

Ik heb me laten inschrijven op de universiteit en mijn kandidaats Engelse letterkunde gehaald. Nadat ik was getrouwd, ben ik met mijn man naar het buitenland gegaan. Een paar jaar later heb ik mijn studie in Kaapstad afgemaakt en ben ik journaliste geworden. Ondertussen zong ik ook weer.

Ik was in Glasgow om een plaat op te nemen. Het waren allemaal nieuwe arrangementen. Tijdens de opnamen zei de orkestleider: `Pitch to the trumpet.' Ik begreep het niet. `Wat?' `Pitch to the trumpet!' zei hij weer. Ik hoorde helemaal geen trompet! Ik raakte in paniek. `Wat bedoelen ze toch? Ik hoor het niet!'

Ik logeerde bij mijn moeder. Een orkestleider kwam langs om het een en ander door te spreken en toen hij weg was zei mijn moeder: `Kind, je moet je oren eens door laten spuiten, je laat die man alles drie keer zeggen.' In het ziekenhuis bleek dat ik een gehoorbeschadiging had. Toen ben ik gestopt.

Doofheid is iets waar mensen zich voor schamen. Mij kan het niets meer schelen. Ik zag op straat een man aan het werk met zo'n drilboor. Ik tikte hem op z'n schouders. `Hé', zei ik, `hé, je moet oorbeschermers opdoen!' Hij zette zijn machine uit. `Oorbeschermers!' riep ik weer. `Het is heel gevaarlijk. Ik was vroeger zangeres en nu ben ik bijna doof.' Hij keek me nogal sullig aan: `O bedankt.' Meestal worden ze kwaad als je zoiets zegt.''