Niet elk lang stuk is slecht

Hans Beerekamp ontving afgelopen maandag de Pierre Bayleprijs voor filmkritiek. De jury maakte zich in haar rapport bezorgd om het filmkritische klimaat.

Een gegeven paard mag je niet in de bek zien, en ik ben dan ook zeer vereerd met het ontvangen, afgelopen maandag, van de Pierre Bayleprijs, de enige prijs die je in Nederland kunt krijgen als filmcriticus, maar toch voelt het ongemakkelijk. Als ik het zuinige juryrapport lees, dan is eenoog koning in het land der blinden en ben ik `bevorderd met een taak'. Als het aan de jury voor de Pierre Bayleprijs ligt, ben ik de prijs alleen waardig wanneer ik meer lange stukken en essays zou gaan publiceren, het liefst gebundeld in boekvorm.

Aan die vermaning, zowel gericht aan het adres van de winnaar als aan de chef kunst van NRC Handelsblad, ligt een aantal andere oordelen en veronderstellingen ten grondslag, die te belangrijk zijn om ze onweersproken te laten.

Ik citeer:

Het is vandaag de dag treurig gesteld met de beoefening van filmkritiek.

Of dit vonnis de hele wereld, de westerse cultuur of Nederland betreft is niet helemaal duidelijk, al doen de eropvolgende zinnen vermoeden dat het laatste wordt bedoeld. Mondiaal bekeken is het waar dat filmkritieken in dagbladen en gespecialiseerde tijdschriften in aantal en in lengte afnemen, maar als je de recensies op het internet erbij optelt, dan zijn het er meer dan ooit. In Nederland is die ontwikkeling bovendien minder geprononceerd.

Collega-filmcritici uit Engeland, Zweden, België of Denemarken zijn jaloers als ik ze laat zien hoe filmpagina's in Nederlandse dagbladen eruit zien. Verbaasd vragen ze of er dan nooit druk wordt uitgeoefend door de hoofdredactie om meer interviews met sterren op de filmpagina te plaatsen, of om filmpagina's te openen met besprekingen van Hollywoodproducties in plaats van Iraanse, Japanse of Argentijnse? Vooraanstaande Engelse filmcritici, zoals David Robinson en Derek Malcolm, gooiden er op zeker moment het bijltje bij neer, toen de druk om populair en populistisch te schrijven te groot werd. Het vermoeden bestaat dat de eigendomsverhoudingen van de kranten een rol spelen bij zulke processen. Dat bij voorbeeld de Times en 20th Century-Fox beide door Rupert Murdoch gecontroleerd worden zou wel eens van invloed kunnen zijn op het beleid dat de filmredactie van die krant geacht wordt te voeren. Als ik zulke verhalen hoor, ben ik altijd blij te werken voor een krant waar een uit lezers bestaande stichting de grootste aandeelhouder is.

De ruimte voor filmkritiek op filmpagina's, in culturele bijlagen of anderszins is door een voortdurend proces van marktonderzoeken bij lezers door enquêteurs, verbonden aan de grote uitgeversconcerns zoals PCM en VNU, bijna nihil geworden. Lezers willen geen lange stukken meer, en zeker geen doorwrochte kunstbeschouwingen, is de heersende gedachte.

Of dit de heersende gedachte is bij de eigenaar van deze krant, PCM, durf ik te betwijfelen. Sinds ik in 1977 voor NRC Handelsblad begon te schrijven, is het aantal aan film gewijde vierkante centimeters niet afgenomen, integendeel. Onafgebroken is er al die tijd een vaste wekelijkse pagina geweest, die voor het grootste deel gevuld is met recensies van nieuwe films in de bioscoop. De filmredactie heeft er al die tijd eer in gesteld compleet te zijn, en alle films te bespreken, ongeacht hun kwaliteit. Wel is er een ontwikkeling te bespeuren dat recensies korter worden. De mogelijke uitkomst van marktonderzoek dat lezers niet van lange stukken zouden houden is hooguit van marginaal belang geweest bij die ontwikkeling.

In de eerste plaats is het aanbod breder geworden in de bioscopen: terwijl het aantal in Nederland in de bioscoop uitgebrachte films al decennia min of meer constant blijft, is er een voortdurende groei van festivals, speciale programma's of andere manifestaties. Er is inderdaad meer ruimte gekomen op de filmpagina voor anderssoortige stukken dan recensies, zoals een sterrenrubriek en een nieuwtjeskolom. Zelfs is er op de filmpagina wel eens een (kort) interview te lezen.

De laatste reden om kortere filmbesprekingen te schrijven dan vroeger, heeft inderdaad te maken met een behoefte van ons allemaal, dus ook van de krantenlezer, om sneller ter zake te komen. Wie een filmrecensie uit de jaren zestig, bijvoorbeeld van de invloedrijke en helder formulerende Jan Blokker in het Algemeen Handelsblad, uit het archief te voorschijn haalt staat verbaasd over de redundantie van zo'n stuk. Ik weet zeker dat als Blokker nu nog filmrecensies zou schrijven, die even compact van stijl zouden zijn als de andere dagbladartikelen die hij nu publiceert.

Zo is er in dagbladen alleen nog maar ruimte voor filmrecensies, die door hun aard gebonden zijn aan wat wel `de waan van de dag' genoemd wordt. Hierdoor is er geen podium meer, waarop kritische reflectie vanuit een afstand of gedachtevorming over meer dan één film kan plaatsvinden. Wie goed kijkt naar recensies in dagbladen - waarvan de jury vindt dat het een beginpunt is van kritiek, geen eindstation - kan constateren dat zelfs deze vorm aan uitholling onderhevig is.

Een reeks samenhangende veronderstellingen valt uit deze passage samen te vatten als het verschil dat zou bestaan tussen `recensie' (één enkele film betreffend, gebonden aan de waan van de dag) en `kritiek' (reflectie `vanuit een afstand' of gewijd aan meer dan één film).

Ik ben dat onderscheid wel vaker tegengekomen, en heb het nooit helemaal begrepen. Waarom is een recensie door haar aard gebonden aan de waan van de dag? Omdat die in een krant verschijnt waar de volgende dag de vis in wordt verpakt? Kan een kritiek ook kortzichtig zijn en is het uitgesloten dat een recensie meer dan één film bespreekt?

Zelf neig ik ertoe om de woorden `recensie' en `kritiek' door elkaar te gebruiken. Ik vind het synoniemen voor een kritische, persoonlijke beschouwing over één of meer films, die altijd twee doelen nastreeft: het (objectieve) verschaffen van voorlichting aan de potentiële consument of andere nieuwsgierige lezers enerzijds, het (subjectieve) vaststellen van de waarde van een film in de context van de filmgeschiedenis, de maatschappelijke betekenis of de commerciële vooruitzichten van de besproken film(s). Bij de ene film let je op andere dingen dan bij de andere: het zou onzin zijn om Harry Potter te toetsen aan de uitgangspunten van de auteurscinema, of de lucrativiteit van een Sokoerov-film te voorspellen. Maar altijd lopen twee dingen door elkaar: wat (hoe, hoeveel, waarom) is het en wat betekent het (nu, of over honderd jaar)? De recensie is – met de column en het hoofdartikel – een van de weinige plaatsen in een dagblad waar de schrijver meningen en feiten door elkaar mag, nee moet husselen.

Als een krantenkritiek geen eindstation is, dan is het toch wel de plek waar de meeste mensen uitstappen, ook degenen die nooit naar de bioscoop gaan, al was het maar om een beetje op de hoogte te blijven van de cultuur waar je deel van uitmaakt. Ik maak me sterk dat de lezer die over tien of vijftig jaar een krant, waar geen vis in verpakt is, uit het archief haalt, ongeveer dezelfde dingen wil weten als een contemporaine geïnteresseerde. Daarom is dat verschil tussen `waan van de dag' of `kritische reflectie' ook kunstmatig. Een goede recensie of kritiek combineert beide functies.

De tijd dat er vaste filmpagina's bij kranten bestonden is zo goed als voorbij.

Een controleerbaar onware uitspraak, die geen recht doet aan het kwalitatief hoge niveau van de filmkritiek in Nederlandse dagbladen. Dat niveau is traditioneel niet slecht, juist in een cultuur waar aan opinies, columns en commentaren altijd veel belang is gehecht. Er is een aantal dagbladen waar de wekelijkse filmpagina soms ook artikelen over andere kunstvormen toelaat. En die tendens neemt toe. Maar als filmliefhebbers, zoals de juryleden van de Pierre Bayleprijs, die ontwikkeling zouden willen tegengaan, dan lijkt het me heel onverstandig de gezamenlijke Nederlandse dagbladcritici voor het hoofd te stoten door te beweren dat hun werk niets voorstelt. Door je denigrerend uit te laten over een, in mijn ogen internationaal nog steeds toonaangevende traditie en alle dagbladrecensenten op te roepen tot het doorreizen naar andere eindstations, werk je alleen maar in de hand dat ze stoppen met recenseren en leuke artikelen gaan schrijven over de persoonlijkheid van regisseur en sterren.

Zo lees je bijna geen stukken meer waarin trends gesignaleerd worden, film gekoppeld wordt aan andere kunst- of mediavormen, of stukken, waarin op polemische of prikkelende wijze stelling wordt genomen tegen heersende meningen. Waar blijft bijvoorbeeld het artikel over de artistieke gevolgen van de cv-constructie in Nederland?

Om met dat laatste te beginnen: zo'n stuk heb ik op 14 september 2001 op deze plaats geschreven onder de kop `Eigen bioscoop eerst', maar dat was misschien geen artistiek `eindstation'. Het probleem van de kritiek in het juryrapport is dat alles wat lang is of naar essay ruikt, bij voorkeur met een kaftje erom, bij voorbaat hoger wordt aangeslagen dan wat in een krant verschijnt. Korte recensies zijn niet per definitie slechter, of zelfs oppervlakkiger, dan lange. Het samenvatten van de essentie van een film, liefst met een kritisch oordeel, in pakweg dertig woorden, is veel moeilijker dan een lange beschouwing, waarin je je kunt verschuilen achter andermans theorieën, vele beschrijvingen en theoretische constructies. Niet elk lang stuk is slecht, maar de kans daarop is zeker niet kleiner dan bij een kort stuk. De kwaliteiten van een criticus kun je het beste afmeten aan zijn vermogen om kernachtig te formuleren, zonder te simplificeren.

De jury zou willen pleiten voor een nog grotere arbeidsdrift en ambitie bij Beerekamp. [...] Te denken valt aan publicaties in boekvorm die het recensiedom overstijgen en meer en beter gebruik maken van zijn encyclopedische geest.

`Het recensiedom overstijgen', dat zou in deze lovend bedoelde woorden mijn ambitie moeten zijn. Waarom zou dat dan moeten? Wat is er verkeerd aan het maken van dagbladstukjes, waarvan sommige wat mij betreft best met een kaftje eromheen gebundeld zouden mogen worden, als de gezamenlijke Nederlandse uitgevers niet besloten zouden hebben dat er geen markt is voor filmuitgaven. De koudwatervrees en het marktgerichte denken zijn bij boekuitgevers in Nederland, als het om film gaat, veel ernstiger dan bij de dagbladredacties. Het is een van de redenen waarom ik de voorkeur geef aan het over film schrijven in een krant. Dagbladfilmrecensent is het mooiste beroep van de wereld.