Liefde in tijden van wrok

De liefde is in de moderne letteren uitsluitend een privé-zaak, een intiem avontuur, zoals blijkt uit de huidige Boekenweek. Maar ze kan ook een maatschappelijke rol spelen, zelfs al staat het politieke klimaat, zoals nu, in het teken van angst en rancune. Denkers en schrijvers dromen al eeuwen van een `nieuwe amoureuze wereld' en massale orgieën ter bevordering van de gemeenschapszin.

Wie houdt niet van de liefde? Onder het motto `Hebban olla vogela nestas hagunnan' heeft de CPNB dit jaar gekozen voor een boekenweekthema dat zowel het oudste als het jongste omsluit. Met een liefdesverklaring, in de marge van een manuscript gekrabbeld, is de Nederlandse literatuur ooit begonnen. En welke schrijver of dichter heeft niet voor het eerst naar de pen gegrepen in puberale liefdesroes of liefdessmart?

Alleen de politiek doet dit jaar niet mee. `Angst, wrok en haat' regeren het openbare debat voorafgaand aan de Kamerverkiezingen, werd onlangs in deze krant geconstateerd. Hard optreden, strenge regels, gesloten grenzen – zo luiden de trefwoorden in de campagnes. Met liefde worden in onze opgeschrikte democratie geen stemmen gewonnen.

De liefde is in onze wereld vóór alles een privé-zaak, een intiem avontuur, dat hoogstens via interviews en talkshows openbaar wordt gemaakt. En natuurlijk via boeken. Een schrijver die zijn of haar lezers een inkijkje biedt in de slaapkamer kan op hartstochtelijk medeleven rekenen. Ook van politici willen we weten hoe ze zich gedragen tegenover hun geliefden. Bedriegen ze hun man of vrouw en zorgen ze niet goed voor hun kinderen, zo redeneert men, dan is de kans groot dat ook de publieke zaak bij hen niet in goede handen is. Maar zodra er geregeerd moet worden of oppositie gevoerd, dient het liefdevolle gezicht weer te verdwijnen.

Alleen de tegenstanders in het groot, die de hele bestaande wereld afwijzen, kunnen het zich permitteren om de liefde – als een wapen – uit de politieke holsters te trekken. Dat gebeurt bijvoorbeeld in de neomarxistische alarmkreet Empire (2000) van de Amerikaanse literatuurwetenschapper Michael Hardt en de Italiaanse politicoloog Antonio Negri, die wereldwijd een nieuwe imperiale machtstructuur zien verrijzen.

Wat zou de liefde hiertegen vermogen? Het woord klinkt vreemd in dit verband, zeker uit de mond van Negri die nog altijd een straf uitzit voor zijn betrokkenheid bij de Rode Brigades in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Met maffiapraktijken (ontvoeringen, knieschoten, moordaanslagen) verzetten deze Brigades zich destijds tegen het Italiaanse establishment. Een van de ontaarde uitlopers van de jaren zestig, toen menigeen nog dacht aan liefde alléén genoeg te hebben.

Aan het slot van Empire lijkt het niettemin of Negri, wellicht onder invloed van zijn Amerikaanse co-auteur, de weg terug heeft afgelegd. Terug naar de flowerpower van de liefde. Het verzet van de rechteloze `multitude' (bedoeld zijn onder meer: illegale migranten en onderbetaalde arbeiders in de derde wereld) wordt daar immers een `project of love' genoemd.

De nieuwe communistische `militanten' die het verzet aanzwengelen, dienen aldus Hardt en Negri een voorbeeld te nemen – ik verzin het niet – aan Franciscus van Assisi. Zoals deze heilige tegen de armoede van zijn tijd de `natuur, de dieren, zuster maan, broeder zon, de vogels van het veld, de arme en uitgebuite mensen' in stelling bracht, zo zal de militant van de toekomst tegen de `misery of power' de `joy of being' plaatsen, een revolutionair samengaan van `liefde, eenvoud en onschuld'.

In welk mentaal universum leven deze postmoderne communisten, vraag je je af, na eerst hun uitvoerige en zeer abstracte analyses van het nieuwe imperium te hebben gelezen. Een `project of love' als panacee voor al het politieke en sociale onrecht – dat is niet alleen de weg terug naar de jaren zestig, maar ook naar de late achttiende eeuw, toen de Duitse dichters en denkers van Frühromantik en Idealismus soortgelijke verwachtingen koesterden.

Niemand minder dan Hegel, de filosoof aan wie Marx zijn dialectiek zou ontlenen, speculeerde destijds in een postuum gepubliceerd manuscript over de liefde, die alle tegenstellingen in zich zou verenigen. `De geliefde is ons niet tegengesteld, hij is één met ons wezen; wij zien ons slechts in hem, en toch vallen we niet met hem samen – een wonder, dat we niet kunnen begrijpen'. In hetzelfde manuscript wordt de liefde gelijk gesteld aan de religie. En dat maakt duidelijk wat Hegel zijn speculaties ingaf.

Het probleem waar hij mee worstelde was dat van een ontgoddelijkte wereld. `Gevlucht is de kring der goden terug naar de Olympus / weg van de geheiligde altaren', lezen we in een aan Hölderlin opgedragen gedicht (`Eleusis') uit 1796. Vervreemding was het gevolg, en vergeefs zocht de filosofie naar woorden om de verloren eenheid te herstellen. In deze jaren meende Hegel in de liefde die eenheid te kunnen terugvinden. Zij moest doel en uitgangspunt worden voor een nieuwe religie, die de nadelen van de vooruitgang zou kunnen verhelpen.

Hegel is in dit jeugdig liefdesidealisme niet blijven steken. Bij Marx, die naar eigen zeggen het vergeestelijkte idealisme van zijn leermeester met beide voeten op de grond plaatste en alle religie afdeed als `opium van het volk', vinden we er al evenmin veel aandacht voor. De wetten van de geschiedenis en het geweld van de revolutie (inclusief een niet veel liefderijks belovende `dictatuur van het proletariaat') zouden de oplossing bieden voor de kwalen van het moderne kapitalisme. Tot verdriet van sommigen van zijn latere Nederlandse adepten, die meenden dat Marx iets belangrijks vergeten was:

`Hij denkt aan de materieele oorzaken

van 't socialisme en het communisme,

maar er is ook een ideële, van het hart.

Dat is de liefde, de alomvattende liefde.

De oorzaak dat alle dingen veranderen

In de maatschappijen der menschen,

Is niet alleen de oorzaak van buiten,

Het is de liefde, de alomvattende liefde'.

De regels zijn afkomstig uit een nooit voltooid episch gedicht van Herman Gorter. Na het echec van alle communistische `experimenten' volgens Marx' onsentimentele recept viel Hardt en Negri kennelijk niets beters in dan terug te grijpen op juist datgene wat de schrijver van Das Kapital meende overwonnen te hebben. De liefde, alomvattend of niet, heeft in elk geval het voordeel dat niemand zich er een buil aan kan vallen, zullen zij – net als de CPNB – hebben gedacht.

Het blijft, in beide gevallen, een zwaktebod. In de politiek valt van de liefde, zie de verkiezingscampagnes van dit moment, weinig te verwachten. In de literatuur kun je er alle kanten mee op. Helaas blijken dat vaak de meest voor de hand liggende kanten te zijn. Dezer dagen regent het boekjes met gebloemleesde liefdespoëzie en overal vandaan gesprokkelde amoureuze ontboezemingen. Wezenloze gelegenheidsuitgaven, die in het niet vallen bij misschien wel de meest bijzondere liefdesroman van de laatste tijd: Plateforme van de Franse schrijver Michel Houellebecq.

Een rooskleurig beeld van het hedendaagse liefdesleven zul je er niet in aantreffen. Michel, de veertigjarige hoofdpersoon, is een vrijgezel die zijn erotisch vertier vindt bij hoeren en peepshows. Totdat hij, tijdens een groepsreis naar Thailand, Valérie leert kennen. Zij blijkt, bij terugkomst in Parijs, zijn grote liefde te zijn, en zelf denkt zij over hem niet anders. Michel beschouwt het als een `tweede kans', waarop hij in zijn morsige leven niet meer had gerekend. Ondanks zijn cynisme en misantropie kan hij voortaan niet langer ontkennen dat `het geluk' echt bestaat.

Ook bij Houellebecq is de liefde een privé-zaak, en daarin bewijst hij een kind van zijn tijd te zijn. Met zijn Valérie vormt Michel een klein bastion tegen de boze buitenwereld. Maar de liefde geeft zijn verbeelding ook vleugels. Dat blijkt wanneer hij, meedenkend met Valérie en haar collega Yves-Jean die beiden een hoge positie in de toeristen-industrie bekleden, op een gouden idee komt dat de kassa moet laten rinkelen.

Net als Hardt en Negri denkt Houellebecqs Michel in het groot. Samen met Valérie en Yves-Jean waant hij zich op een `platform', vanwaar zij gedrieën de wereld verdelen. Niet om die vervolgens via een liefdevolle rebellie in een rechtvaardig paradijs te veranderen, maar de liefde – zij het in een iets andere betekenis – speelt ook bij hen een cruciale rol. Wat Michel bedacht heeft komt neer op een wereldwijd netwerk van `seksueel toerisme', een vorm van vrijetijdsbesteding waarmee hij zelf al de nodige ervaring heeft opgedaan en die hij nu op een even simpele als winstgevende wijze wil ontsluiten voor al zijn erotisch verkommerde medeburgers.

In de roman zien we Michel zo nu en dan een blik werpen in Auguste Comtes Cours de philosophie positive, wat enkele hilarische momenten oplevert. Zijn gouden idee wijst echter veel meer in de richting van een andere negentiende-eeuwer. Niet aan Comte, de vader van het positivisme, deed Michels geloof in de toekomst van het `seksuele toerisme' mij denken, maar aan Charles Fourier (1772-1837), een van de `utopisch socialisten' die door Marx en Engels in hun Communistisch Manifest aan de kant worden gezet.

Ten onrechte, moeten we concluderen met het oog op Houellebecqs roman. In utopieën geloven we weliswaar niet meer, maar binnen de literatuur kan er soms nog een rest van opvonken, desnoods verpakt – zoals bij Houellebecq – in flink wat ironie, provocatie en schaamteloos cynisme. Naar het laatste zul je bij Fourier tevergeefs op zoek gaan. Ironie en provocatie daarentegen zijn ook in zijn werk moeiteloos aan te treffen, naast een grenzeloze fantasie die dat werk nog altijd tot een onuitputtelijke bron van verbazing en verwondering kan maken.

Van zijn plannen voor het Suez-kanaal en het Panama-kanaal zal nu niemand meer opkijken, omdat beide inmiddels op de landkaart staan. Al wat vreemder wordt het wanneer we zien dat ook de Kaukasus voor hem geen onneembare barrière was: tussen de Zwarte Zee en de Kaspische Zee diende eveneens een waterweg te worden aangelegd. Nog merkwaardiger is zijn voorspelling dat Siberië, dankzij een nieuwe windstroom, een subtropisch klimaat zou krijgen, terwijl het zeewater in de toekomst naar citroenlimonade zou gaan smaken.

Door de meeste van zijn tijdgenoten werd Fourier als een ongeneeslijke `gek' beschouwd, hoewel Stendhal hem ook ooit een `sublieme ziener' noemde. Misschien vanwege al het fraais wat Fourier over de liefde te melden had. Bij hem ontbreken de onthechte lofzangen op de liefde, waartoe Hegel, Gorter en – minder uitbundig – ook Hardt en Negri zich laten verleiden. Wanneer Fourier over de liefde spreekt, dan heeft hij niet alleen haar geestelijke of morele kwaliteiten op het oog; minstens zo belangrijk zijn voor hem de fysieke of, zoals hij het zelf noemde, de `materiële' kanten van de liefde.

Een bekende Nederlandse dichter heb ik eens horen zeggen: ze vragen mij altijd naar de liefde, maar eigenlijk houd ik alleen van seks. Zo ver wenste Fourier niet te gaan. Het belangeloze sentiment was hem ook veel waard, maar in de liefde kon dat pas aan bod komen nadat eerst de `materiële' lusten waren bevredigd. Dit maakt hem, bij alle krankzinnige fantasieën, realistischer dan je op het eerste gezicht zou denken. De moralisten onder de wereldverbeteraars verweet hij de natuur van de mens te willen veranderen: een hopeloze onderneming in zijn ogen. Wat hem betrof kon de mens blijven zoals hij was. Het enige dat diende te veranderen was de omgeving waarin de mens zijn lustbevrediging najoeg.

In de bestaande wereld (die Fourier zonder enige appreciatie aanduidde als de Civilisation) was alle moraal er juist op gericht de lusten te onderdrukken. Een vorm van verdringing, die enkel tot hypocrisie leidde en deze lusten bovendien – als ondeugden – via de achterdeur deed terugkeren. `Elke gefnuikte passie brengt haar tegen-passie voort, die even schadelijk is als de natuurlijke passie weldadig zou zijn geweest', schreef hij, meer dan een halve eeuw vóór Freud.

Fourier vertelt over een Russische prinses die een slavin liet folteren, uit onvermogen haar eigen lesbische neigingen te onderkennen. Op dezelfde manier was volgens hem het burgerlijk huwelijk, met zijn verplichte maar nooit te handhaven trouw, een uitnodiging tot overspel. Iedere echtgenoot die meende zijn vrouw te kunnen knechten, werd onherroepelijk tot een `hoorndrager' gemaakt. Typerend voor Fourier is dat hij prompt een `hiërarchie du cocuage' ontwierp, waarin niet minder dan tachtig verschillende soorten hoorndragers worden onderscheiden.

Even maniakaal en systematisch ging hij te werk bij zijn blauwdruk van een betere wereld. Van Newton had hij geleerd dat de aantrekkingskracht het universum bijeen hield. Waarom zou dezelfde wetmatigheid niet ook het sociale leven van de mensheid regeren? En dus sloeg hij aan het rekenen om de twaalf `fundamentele' passies die hij in de mens had ontdekt zodanig met elkaar te combineren, dat ze onder alle omstandigheden konden worden bevredigd.

Hij kwam uit op het getal 1620. Zoveel inwoners zou elke Phalanstère, Fouriers vervanging van stad en dorp, moeten tellen. Uitgaande van het beginsel dat arbeid en genot altijd samen dienden te gaan, ontwierp hij `series' van hartstochten, waarbij iedereen steeds het werk te doen kreeg dat overeenkwam met zijn of haar passie, net zolang als hij of zij er plezier aan beleefde. Dat dit regelmatig verandering van arbeid, soms zelfs meer keren op één dag, met zich mee zou brengen, achtte hij geen bezwaar, gesteld dat het werkschema afdoende rekening hield met ieders lusten. Hoe dit in de praktijk geregeld zou moeten worden, blijft – in weerwil van Fouriers extreem gedetailleerde calculaties – een raadsel. Maar zelf twijfelde hij geen moment aan het succes van de opzet.

Een nieuw tijdperk van Harmonie zou het resultaat zijn. Een `nieuwe amoureuze wereld' ook, zoals de titel luidt van zijn meest gewaagde boek, dat zijn adepten in de negentiende eeuw niet durfden te publiceren (pas in 1967 verscheen het voor het eerst in druk). Daarin komt zonder omwegen naar voren, hoezeer Fourier zijn `passionele' utopie een seksuele inhoud wilde geven, compleet met massale `orgieën' ter bevordering van de gemeenschapszin. De mens had nu eenmaal een natuurlijke hang naar de orgie, was zijn overtuiging, maar in de Civilisation liep dat uit op stiekem en ranzig gedoe, in de nieuwe Harmonie zouden de orgieën nobel en openbaar zijn.

Opmerkelijk is dat Fourier geen enkele passie, neiging of manie uitsloot. Ook perversies, waartoe in de negentiende eeuw nog alle vormen van homoseksualiteit werden gerekend, waren in zijn harmonieuze wereld welkom. In elke heteroseksuele orgie moest, vond hij, ook een plekje voor homo's en lesbiennes worden ingeruimd. Het enige voorbehoud was dat perversies niet schadelijk voor anderen mochten zijn. Gelukkig bestond daarop nauwelijks kans, aangezien ze tijdig in een nuttige richting zouden worden gestuurd.

Nero, die in het `barbaarse' verleden een bloeddorstig keizer was geworden, zou in Fouriers nieuwe wereld een onschuldige betrekking als slagersknecht hebben gekregen. Sadisten konden aan hun trekken komen, doordat ze met masochisten in contact werden gebracht; exhibitionisten konden hun lusten uitleven ten overstaan van voyeuristen. Kinderen die van vuiligheid hielden zouden, verenigd in `kleine horden', worden ingezet om de wc's schoon te maken en het land te bemesten.

Elke middag keerde Fourier, die zijn leven lang vrijgezel bleef en de kost verdiende als kantoorklerk, even terug naar zijn logement, in afwachting van een rijke weldoener die hem in staat zou stellen de eerste Phalanstère van de grond te krijgen. Dit ene voorbeeld zou, meende hij, zoveel succes hebben, dat iedereen het zou willen navolgen, waarna achter de treurige periode van de Civilisation voorgoed een streep kon worden gezet.

Fouriers weldoener heeft zich niet aangemeld, al zijn er later wel enkele – mislukte – experimenten uitgevoerd. Het voorspelde tijdperk van de Harmonie is nooit aangebroken. Hoezeer de verfoeide Civilisation nog altijd de onze is, blijkt onmiskenbaar uit Houellebecqs roman, waarin liefdeloosheid en frustratie het bestaan van ambtenaren en managers teisteren. Maar daar menen zijn personages Michel, Valérie en Yves-Jean iets aan te kunnen doen – door, net als Fourier, zich suf te rekenen en te combineren.

Hun uitgangspunt is Michels idee van een wereldwijd netwerk van seksueel toerisme, dat zowel in het westen als in de Derde Wereld de grootste ellende zal opheffen. Aan de ene kant zijn er honderden miljoenen westerlingen die alles hebben wat hun hart begeert, behalve seksuele bevrediging, aan de andere kanten zijn er honderden miljoenen verschoppelingen, die niets hebben, honger lijden, en alleen hun lichaam en hun nog `ongeschonden seksualiteit' kunnen verkopen – een `ideale ruilsituatie', concludeert Michel. Waarna Valérie en Yves-Jean de reisorganisatie `Aurore Aphrodite' opzetten, die overal ter wereld clubs zal gaan exploiteren waar vraag en aanbod elkaar kunnen ontmoeten.

Het lijkt op een bizarre combinatie van Fouriers erotische utopia en het mondiale imperium van Hardt en Negri. Met dit verschil dat Houellebecqs personages geen moment de pretentie hebben om buiten het bestaande economische systeem te treden. De utopist Fourier verzon een wonderlijke economie van de lust, Houellebecqs Michel komt, binnen de bestaande mondiale economie, met een constructie om de lust tegen grof geld te verhandelen. Dat laatste zou Fourier, die de handel verafschuwde, natuurlijk nooit hebben gedaan.

En dat is niet het enige verschil. Fourier bleef, zoals het een echte utopist betaamt, op papier heilig in zijn droom geloven. Houellebecq, minder optimistisch, draait de onderneming van zijn personages op papier de nek om. Het geluk mag dan wel echt bestaan, erop rekenen kun je nooit. De eerste club, die `Aurore Aphrodite' bij wijze van proef in Thailand heeft georganiseerd, valt binnen een week ten prooi aan een islamitische terreuraanslag. Valérie komt daarbij om het leven en de reacties in de westerse pers brengen het hele project voorgoed in discrediet.

In één klap verdampen alle illusies, zowel die van de liefde als die van de lucratieve filantropie. Wat de utopie niet kan zonder haar geloofwaardigheid te verliezen, kan de literatuur wèl: de verwachtingen die zij wekt genadeloos onderuit halen. Daarin schuilt háár realisme. Met als gevolg dat we aan het eind van Plateforme weer midden in de `angst', de `wrok' en de `haat' zijn beland die, ondanks de liefdesroes van de Boekenweek, op z'n minst tot aan de verkiezingen de politieke agenda zullen blijven bepalen.

Michael Hardt en Antonio Negri: Empire.

Harvard University Press (2000), 478 blz.

€45,43.

Besproken in Boeken, 03.08.01.

Een Nederlandse vertaling verschijnt in mei bij Van Gennep.

Michel Houellebecq:

Plateforme. Au milieu du monde. Flammarion (2001), 370 blz.

€27,–.

Besproken in Boeken, 31.08.01.

Een Nederlandse vertaling verschijnt komend najaar bij De Arbeiderspers.

Charles Fourier:

Le nouveau monde amoureux Stock (1999), 560 blz.

€32,93.