Jagen op genot, genegenheid of geld

Op een kille avond in 1947 stond een man op een hoek van de 14th Street in New York die in bijna niets opviel. Hij hield zich losjes vast aan de paal van een bushalte, alsof het de vertrouwde arm van zijn vriendin was, en keek temidden van het tumult terloops even om naar iemand die blijkbaar een foto stond te maken. Hij ging gekleed in een lange jas, een wit overhemd, een Stetson en cravate. Hij was zo'n mijnheer die een heer genoemd wordt, maar dan wel een heer met een prettige afwijking. Want onder die hoed droeg hij die avond met flair een vliegeniersbril. Combineer de kikkerachtige blik die zo'n bril oplevert met de zelfspot die hij in zijn lach tentoonspreidt, en je moet wel erg afgestompt zijn als je niet met zo'n zot had willen kennismaken.

Het was Louis Faurer (1916-2001) die deze naamloze New Yorker portretteerde. Een fotograaf die net als Helen Levitt en Leon Levinstein in de jaren veertig en vijftig het vliedende leven van New York in grofkorrelig zwart-wit vastlegde. Het net verschenen fotoboek met frappante staaltjes van beeldrijm is een hommage aan deze fotograaf, die de media meed, die in de doka bezeten veeleisend was, die in bekendheid ten onrechte overwoekerd werd door `grote jongens' als Walker Evans en Robert Frank, en die na een lang verblijf in Parijs en Montreal met wroeging terugkeek op zijn mislukte modefotografie en zijn intussen `bedorven' stad.

Faurer, als Russisch/Poolse immigrantenzoon opgegroeid in Philadelphia, fotografeerde de New Yorkers op zijn best toen de oorlog net voorbij was, de televisie nog moest komen, en arm en rijk weer jacht maakten op genot, genegenheid of geld. En of het nu schele `losers' waren met een straathandeltje, de welvarende families Doorsnee of de oplichters die zich een Al Capone-houding aanmaten, men laafde zich aan de kermis die New York City heet als een bedoeïnen aan een oase.

De `humanistische' fotografe Helen Levitt richtte zich in die tijd bij voorkeur op de kinderen uit de `lower middleclass'; de `loner' Levinstein gaf op zijn foto's discreet vorm aan de intimiteit van zijn stadgenoten, maar Faurer keek in de City rond als een `alien' met beeldhonger en hield vooral die mensen in de gaten `die aantrekkelijk, maar beschadigd zijn', zoals een collega het uitdrukte. Die gekrenktheid manifesteert zich verre van opzichtig, zoals bij Diane Arbus of de eigentijdse Nan Goldin, maar subtiel – in een wantrouwige blik, een verbeten mond, een cynisch opgetrokken wenkbrauw, een zich schaamtevol verhullen, of juist in een `donder op'-pose.

Behalve die randfiguren observeerde Faurer net zo goed de spectaculaire reflecties die autolak en winkeletalages te zien geven, het vrolijke volksvermaak op Times Square, het circusleven. Soms maakte hij dubbelopnamen, om de euforie op te voeren, om de achtergrond nòg meer te laten meezinderen. Zijn oeuvre is klein, want zeg nou zelf: zoveel dadaïstische mannen en zoveel `moments suprêmes' heeft een stad aan één mens nou ook weer niet te bieden.

Anne Wilkes Tucker e.a.: Louis Faurer. Merrell Publishers Ltd., Londen, 201 blz. geïll. €73,50