`Ik las mijn ekster voor uit de brieven van Flaubert'

Jaap Scholten modelleerde zijn beeld van de ideale schrijver naar Flaubert, zoals die zich toont in zijn brieven.

,,Als ik heel eerlijk ben, ben ik helemaal niet zo dol op het lezen van romans, of ik heb er het geduld op dit moment niet voor', zegt schrijver Jaap Scholten (1963). ,,Brieven bevallen me beter. Madame Bovary heb ik maar één keer gelezen, terwijl ik Flauberts brieven steeds weer oppak. Die zijn weergaloos. Ik hou van het ruwe, ongepolijste er in.'

Na de romans Tachtig (1995) en Morgenster (2000) verscheen van Jaap Scholten kortgeleden de bundel Reisavonturen & bedevaartstochten. Scholten richtte bovendien een paar maanden terug Uitgeverij Bandini op, samen met Jasper Henderson en Martijn Kempe. Bandini specialiseert zich in genummerde en gesigneerde uitgaven; als eerste verscheen Mercedes – een wintervertelling van Scholten. Deze week verscheen de tweede uitgave, een gedicht van Adriaan Jaeggi. De uitgeverij is vernoemd naar het personage Arturo Bandini van Amerikaanse schrijver John Fante, een van Scholtens lievelingsschrijvers.

De ontdekking van Fante kwam te laat om echt van grote invloed te zijn op Scholten, vertelt hij in de eersteklas-restauratie van het Amsterdamse Centraal Station. Haat is een deugd, een keuze uit de brieven van Gustave Flaubert, las hij wel op tijd, op zijn negentiende. Scholten: ,,Het beeld van hoe een schrijver moet zijn, dat heb ik naar Flaubert gemodelleerd, zoals ik hem uit zijn brieven ken. Ik ben een laatbloeier, met het ontdekken van literatuur en de mogelijkheid om zelf te schrijven. Toen ik Haat is een deugd voor het eerst las, zat ik in Delft op de Technische Universiteit. Bij Flaubert leerde ik het romantische van het schrijven kennen en de heroiëk van de afzondering. Ik denk dat de brieven me de stap hielpen zetten van een beoogde toekomst als ingenieur naar het schrijverschap. Flauberts verlangen naar de woestijn, naar een leven met de bedoeïnen, dat deel ik. Eerst ben ik de woestijn ingetrokken en toen ik eenmaal besloten had dat ik wilde schrijven, ben ik een paar maanden in de Biesbosch in een houten hut gaan zitten die je alleen over het water kon bereiken, als een kluizenaar. Ik werd gek daar, ik hoorde alleen maar het gekwetter van de eenden. Wat ik schreef was totaal onbruikbaar, daar zag ik hoe moeilijk schrijven is.

,,De ideeën van Flaubert stemmen overeen met mijn eigen ideeën. De wereld beschrijven is voldoende, je moet niet de pretentie hebben haar te veranderen. Geen conclusies trekken, dat kun je aan de charlatans laten. Zijn afkeer van de huichelarij, van de wereld en de tijd waarin hij leeft, dat herken ik. Begrippen in zijn tijd die verschrikkelijk afgesleten waren, zoals democratie, socialisme, vooruitgang, dat zijn nu begrippen als uitdaging, respect, zelfontplooiïng. Ik denk dat Flaubert zijn hart had kunnen ophalen als hij nu had geleefd. Het is nog veel verschrikkelijker geworden, alles wat de mensen nu uitkramen, en dat wordt nog eens in het kwadraat gezet door de media.

,,Flaubert schrijft als hij op reis is over heilige plaatsen. Hij schrijft al in 1850 vanuit Jeruzalem over het toerisme dat alles aan het verpesten is. In die reisbrieven zit ook weemoed. In een brief uit Egypte vertelt hij over een hoerenbuurt waar hij nergens naar binnen gaat, omdat hij juist de weemoed van het moment wil bewaren. Ik houd van de directheid waarmee hij dan schrijft: `Er is niets mooiers dan die vrouwen, die je roepen. Als ik genaaid had, zou een ander beeld zich op dit ene gehecht hebben en er de schoonheid van hebben afgezwakt'. En dan vervolgt hij: `Ik heb niet altijd zo'n stoïcijnse artisticiteit in acht genomen'.'

Gelooft Scholten dat Flaubert in zijn brieven altijd oprecht is? ,,Zijn kluizenaarsschap is natuurlijk een beetje een pose. Aan de ene kant is hij de schrijver in de ivoren toren, aan de andere kant schept hij weer op hoe je, als je het leven een beetje wil begrijpen, toch wel als hij in een bordeel moet zijn geweest. In de tijd dat hij een jonge, krachtige man was, heeft hij zich ongetwijfeld in het Parijse nachtleven geworpen. Maar het soort monnikenleven dat hij voorspiegelt vind ik troostrijk. Ik ben socialer dan Flaubert, maar ik denk dat ik buitengewoon geschikt ben voor de eenzaamheid. Ik ben ook jaloers op hem als ik lees hoe hij daar in Croisset maanden achter elkaar kon doorwerken. Ik ben daar twee keer geweest. Het huis is weg, er staat alleen nog een theekoepel waarin zijn werkkamer is nagebouwd. Misschien kom ik over als een poseur, maar ik heb net als Flaubert een berevel op de grond liggen in mijn werkkamer. Flaubert vergeleek zichzelf graag met een beer in zijn hol.

,,Voor de roman Morgenster heb ik veel onderzoek gedaan naar de treinkaping door Zuid-Molukkers bij De Punt in 1977. Flaubert las en studeerde intens als hij aan een nieuw boek begon. Waar ik last van had, en ik kan me voorstellen dat Flaubert daar ook last van heeft gehad, is dat ik me in de research verloor. Ik heb vier jaar over Morgenster gedaan, dat is een Flaubertiaanse tijdsduur. Ik had er nog eindeloos aan door kunnen gaan, maar ik moest het afmaken, want ik werd gek van dat boek. Herhaaldelijk verwoordt Flaubert dat het bij het schrijven maar om één ding gaat: precisie.

,,Een ander boek dat van grote invloed is geweest, door de plezierige rebellie daarin, is Pippi Langkous van Astrid Lindgren. Pippi Langkous en Flaubert liggen in zekere zin op één lijn. De hoogmoed van mensen, daar maakt hij zich vrolijk over, en dat is wat Pippi ook doet. Flaubert vermaakt zich als er een onzettende hagelbui over Rouen en omstreken is neergedaald en alle pompoenkassen zijn kapotgeslagen. De mens heeft zichzelf wel een erg belangrijke plaats in de centrum van het universum toebedeeld. Hij denkt iets te veel dat de zon alleen maar schijnt om de pompoenen te laten groeien. Het is goed dat hij door de natuur af en toe wordt terechtgewezen.

,,Ik bedenk me nu opeens dat ik een ekster had toen ik in Delft studeerde. Dat was ik helemaal vergeten. Die ekster had ik gevonden en Gustave genoemd, als eerbetoon aan Flaubert. Ik hield hem op mijn studentenkamer, in een soort ren die de helft van de kamer in beslag nam en door Gustave helemaal ondergescheten werd. 's Avonds kon Gustave niet slapen, dan kwam hij op de rand van mijn bed zitten. Ik had een hele mooie gebonden uitgave van brieven van Flaubert in het Frans gekocht, en uit die brieven las ik dan mijn ekster voor tot hij in slaap viel. Helaas, Gustave is op een gegeven moment overreden door een Hema-meisje op een brommer.'

Gustave Flaubert, Haat is een deugd (1979), samengesteld en vertaald door E. Borger.

Privé-domein, De Arbeiderspers, 288 blz.