Ik ben als een vis in het ijs

`De beschonken monteur is gelukzalig neergezegen in een greppel.' Zo begint het gedicht `Atlantic Oil' van Cesare Pavese. Het is genoemd naar de benzinepomp waar de monteur weer aan de slag zal gaan als hij zijn roes heeft uitgeslapen. Zoals deze eerste regel, zo is ook de rest van het gedicht: lang, breed, vertellend, gezien door de ogen van een buitenstaander. Hij vertelt over de monteur die de avond ervoor uit de kroeg kwam. De weg door de wei naar huis, vijf minuten lopen, vond hij te lang, en daarom besloot hij de greppel maar als rustplaats te kiezen.

Nu, in de eerste, lange strofe, is het nog vroeg, en stil. Langzaam gaat de dag beginnen, langzaam komt het leven op gang en langzaam ontrolt zich ook het gedicht tot een aardig tafereel, een schets van een autogarage dichtbij een klein Italiaans dorp, aan de weg naar Turijn.

Zon, stof, bedrijvigheid, verkeer, gepraat en gelach. `Hier vermengt de oliestank zich met de geur van groen,/ tabak en wijn.' Langzaam neemt het vers een vlucht, naar gedachten over de toekomst, als de monteur met zijn liefje ergens in de heuvels een nestje zal gaan bouwen, en dan zinkt het weer in zichzelf terug: de nacht gaat weer vallen, er rijden stilletjes nog wat auto's voorbij en dan is het weer ochtend en `er is niets te horen/ behalve het briesje dat langs waait.' Einde van het gedicht. Of liever: einde van het ultrakorte verhaal, de sfeerschets, want dat is `Atlantic Oil' eigenlijk, met zijn 39 brede, rijmloze regels, zonder clou of conclusie, over een alledaagse dag. Sfeer, couleur locale, impressie daar gaat het hier om.

Van dit type gedicht zijn er veel meer te vinden in De dood zal komen en jouw ogen hebben, de eerste volledige uitgave van Paveses poëzie in het Nederlands, in de vertaling van Pietha de Voogd en Willem van Toorn. Negentig gedichten in totaal. Het grootste deel daarvan, zeventig gedichten, is te vinden in Paveses eerste bundel, Lavorare stanca (Werken maakt moe), uit 1936. Bij elkaar vormen ze een soort kroniek van het leven in en om Santo Stefano Belbo, het dorpje in Piemonte waar Pavese in 1908 geboren werd. De bundel bevat portretten van boeren op het land en van spelende kinderen, van die ene kluizenaar boven op de heuvel en van die ene altijd dronken oude vrouw, van de dorpshoer en van de pastoor die kijkt naar hoe een reu het midden op de dag in de schaduw met een teefje doet. Het speelt zich af in een landschap met heuvels, kronkelweggetjes en wijngaarden, met hun geuren en kleuren en sferen. Alles wordt bekeken met een half dromerige, half realistische blik, door iemand die wel deel uitmaakt van het tafereel, maar die zich tegelijk niet wil opdringen.

Tegenover deze plattelandsverhalen staan de vele portretten van en scènes uit het leven in de stad (vooral Turijn). Dezelfde opzet en dezelfde sfeer, maar alles wranger en leger: de zelfkant met zijn hoeren, dronkelappen en misdadigers; het harde leven in de fabrieken, de grauwe treurigheid van de industriestad en de eenzaamheid te midden van de drukte. Er schuilt ook iets aanlokkelijks in deze duistere wereld, een tegendraadse romantiek: de schoonheid van asfalt in de regen, de troost van een sigaret in een ijskoud huurkamertje of de charme van een kort gesprek met een hoer, buiten op straat, onder het licht van sterren. `We steken gearmd het asfalt over, spelen dat we elkaar verwarmen.'

Paveses werk wordt vaak in verband gebracht met het besef van de existentiële eenzaamheid, de op zichzelf teruggeworpen mens en de onmogelijkheid van contact. Bij Pavese moeten deze thema's een gevolg zijn van zijn karakter. De oorzaken en achtergronden zijn zoals altijd duister, maar eenzaamheid, depressie, zielenleegte en levensangst liggen bij hem steeds op de loer, met alle pijnlijke gevolgen voor zijn poëzie.

De buitenstaander Pavese blijft vaak akelig buiten staan, een registrerende observator die er niet meer in slaagt contact te maken. Het is de bittere wereld van l'uomo solo, de man alleen, die in al zijn gedichten aanwezig is, maar soms ook met zoveel woorden wordt genoemd: `Man alleen tegenover de nutteloze zee,/ wachtend op de avond, wachtend op de ochtend.' De man die dagenlang in zijn eentje over het strand loopt en de kinderen en hun moeders ziet spelen en hij heeft alleen de zee. De man die op elk uur van de dag moet denken aan wat de andere mensen doen, maar er nooit bij zal zijn. De man die 's nachts leeft met `de grote leegte [...] die onder de sterren ligt' en die dan wakker ligt. Hij weet dat in de huizen om hem heen de geliefden in elkaars armen liggen, en hij weet dat hij de enige is die het hoort: `Door het zwarte raam/ komt een hees gehijg binnen, en niemand hoort het/ behalve de man die alle verveling van de zee kent.'

De hele bundel Lavorare stanca, met zijn zeventig lange verhalende gedichten, waaraan hij drie jaar gewerkt had, was bedoeld voor Tina, de vrouw op wie hij jarenlang hopeloos verliefd was. Typisch Pavesiaanse tragiek: in het jaar van verschijnen, 1936, trouwde zij onverwachts met een ander.

Pavese wendde zich daarna af van het schrijven van poëzie – al zou je ook kunnen zeggen dat hij hetzelfde bleef doen, onder een iets andere naam. Het uitgebreid en zorgvuldig portretteren van het leven in en om Piemonte vond nu een plek in verhalenbundels en, vanaf het eind van de jaren dertig, in romans waarmee hij wél bekend zou worden.

Het is dan ook niet zo vreemd dat de weinige poëzie die Pavese later nog zou schrijven er heel anders uitziet: korte regels, ingedikte taal, compacte zegging en helaas ook veel vage, quasi dichterlijke onzin uit het idioom van, zeg, het kosmisch expressionisme, zoals in het tiendelige reeksje `De aarde en de dood', geschreven in de laatste maanden van 1945.

In de eerste maanden van 1950 volgden nog eens tien gedichten, die weer een andere Pavese laten zien. `Het eerste licht van de morgenstond/ ademt met jouw mond/ aan het eind van de lege wegen.' Zo begint `In the morning you always come back', geschreven voor de Amerikaanse filmactrice Constance Dowling, die hij eind 1949 had ontmoet. Zij vertrok begin 1950 weer naar Amerika, met de belofte snel terug te keren, maar daar hield zij zich niet aan. Het zette Pavese aan tot het schrijven van enkele verliefde, romantische, verlangende verzen. Maar aan het eind van dit reeksje, met de mooie titel De dood zal komen en jouw ogen hebben, lijkt Pavese te beseffen dat hij weer eens door de liefde bedrogen is. Als poëzie stelt het niet veel voor: eenvoudige lyriek over verliefdheid en liefdesverdriet, een beetje postpuberaal en modern zangerig van toon. Pavese schijnt er in Italië beroemd mee te zijn geworden bij hele generaties middelbare scholieren.

De vroege Pavese lijkt mij dan eerder bijzonder, en ook dichterlijker en moderner – niet alleen met zijn scherpe oog voor het schrijnende detail, de leegte en de eenzaamheid, maar ook met zijn subtiele oproepingen van landelijke weemoed, het stille geluk van een rondzwervende dromerige jongen op lome zomerse dagen. De latere Pavese appelleert met zijn grote woorden meer aan grote en heftige gevoelens. Het succes ervan kan vermoedelijk ook toegeschreven worden aan de biografische achtergronden. Pavese zou daarna niet meer dichten: op 11 april 1950 schreef hij zijn laatste gedicht, `Last blues, to be read some day'. Op 18 augustus noteerde hij zijn laatste woorden in zijn dagboek. Nog een laatste brief aan zijn zus Maria: `Het beste met jullie. Ik maak het best, als een vis in het ijs.' Op 27 augustus 1950 pleegde hij zelfmoord in een hotelkamer in Turijn.

Cesare Pavese: De dood zal komen en jouw ogen hebben. Uit het Italiaans vertaald door Willem van Toorn en Pietha de Voogd.

De Bezige Bij, 264 blz. €37,90