Eierhoofden mogen niet op vakantie

Ze geven hun mening op tv en in de kranten. Speels, onderhoudend en steeds meer als bezorgde vaderlander. Maar hebben hun woorden ook effect? Drie boeken over de rol van `publieke intellectuelen'.

Nederlandse academici op televisie beginnen het te leren. Mediamieke hoogleraren vergasten ons in Buitenhof elke zondag op columns die puntig moeten zijn, een tikje provocerend, met een toefje humor, en een wolkje verontwaardiging. Ze genieten ervan. Tip: vergeet niet achter de katheder na de ludieke introductie, de lippen eventje keurend te tuiten, want leuk mag, maar het moet niet te gek worden.

Maar bieden ze ook waar voor hun geld? En over welke `waar' hebben we het dan eigenlijk: amusement, maatschappelijk nut, of de overdracht van informatie? Dat laatste zeker niet, volgens de Amerikaan Richard Posner, een conservatieve rechter die onlangs Public Intellectuals publiceerde, een aanklacht tegen de dalende kwaliteit van publieke intellectuelen. Volgens Posner zijn `publieke intellectuelen' – hooggeschoolden die zich vanuit een politiek of ideologisch perspectief uitlaten over actuele kwesties – aan verval onderhevig. Dat is volgens hem de schuld van de universiteit. Die trekt deskundigen en denkers onstuitbaar naar zich toe met riante salarissen en aanstellingen, waardoor bijna alle publieke intellectuelen nu aan een universiteit zijn verbonden en echt ongebonden geesten, zoals George Orwell, zeldzaam worden.

Dat is funest, meent Posner, want academici zijn wereldvreemde types, smart en stupid tegelijk, en bovendien door een aanstelling in vaste dienst beschermd tegen de risico's van hun publieke optreden. Ze kunnen dus buiten de muren van Academia eens stevig uithalen, en dat komt de kwaliteit van hun bijdragen niet ten goede. Academici op tv zijn, aldus Posner, on holiday. Eén geluk bij dit ongeluk: het grote publiek neemt ze volgens hem niet serieus.

Tirades

Het is de vraag hoe serieus we die diagnose moeten nemen. Posners kritieken op tientallen Amerikaanse smaakmakers (wie doet het eigenlijk wèl goed?) zijn onderhoudend en vaak ook wel terzake, maar de pretenties van het `model' waarin hij zijn aanklacht giet reiken veel te ver. Hij analyseert het domein van publieke intellectuelen als een `markt', zoals Ivan Ilich dat al in de jaren zeventig deed met onderwijs en Hans Achterhuis met het welzijnswerk. Hij heeft zelfs ijverig een grafiek gemaakt waarop vraag en aanbod op de markt voor intellectuelen tegen elkaar worden afgezet. En er is – het meest spraakmakende deel van zijn boek – een tophonderd van meest geciteerde intellectuelen. Altijd leuk, een ranglijst!

Die analyse schiet alleen schromelijk tekort. De statistieken lijken vooral bedoeld om de intellectueel zijn plaats te wijzen. Posner wil de babbelende denkers een toontje lager laten zingen, door ze onder de neus te wrijven dat ze net als bakkers en tweedehands-autohandelaren een product maken, zij het een credence good, dat onderworpen is aan de tucht van de markt. Of zou moeten zijn, want Posners kritiek betreft vooral het ontbreken van kwaliteitscontrole op intellectuelen: niemand wordt ooit ergens op afgerekend, klaagt hij.

Maar tast dat de kwaliteit van de geleverde praatjes, columns en opiniestukken echt aan? Posner heeft daar geen bewijzen voor. Het grootste deel van zijn boek gaat op aan eigenwijze en scherpzinnige aanvallen op linkse en rechtse, Amerikaanse intellectuelen, van sociale critici tot doemdenkers en publieke filosofen. Stephen Jay Gould, Paul Krugman, Richard Rorty, Robert Bork, Allan Bloom – allemaal worden ze gewogen en te licht bevonden. De heiligverklaarde Martha Nussbaum krijgt links en rechts om haar oren: haar interpretatie van Griekse homoseksualiteit deugt niet, en van de Derde Wereld heeft deze verwende liberal al helemaal geen verstand.

En dan is er de lijst. Veel steken we daar niet van op, en de lijst zelf lijkt onmogelijk gedateerd als meetlat voor wie in Amerka het publieke debat bepalen. Bovenaan voor mediacitaten vinden we Henry Kissinger, gevolgd door de conservatieve politicus Daniel Moynihan en columnist George F. Will. Daarna komen Salman Rushdie (9), William Safire (10) Norman Mailer (16), etcetera. Posner zelf prijkt op een respectabele zeventigste plaats. Er is ook een andere lijst, met denkers die de meeste wetenschappelijke citaten haalden: die wordt aangevoerd door Michel Foucault, en Pierre Bourdieu, en daarin is Posner zelf manhaftig opgerukt tot de tiende plaats.

Public Intellectuals is een van talrijke boeken die de laatste tijd zijn gewijd aan het openbare nut van intellectuelen. Behalve Posners is er The Truth of Power waarin de socioloog Benjamin Barber een ontnuchterd verslag doet van zijn ervaringen als adviseur van Bill Clinton. Eric Alterman schreef al in de jaren tachtig de filippica Sound and Fury, the making of the punditocracy, waarin hij de opkomst en invloed van een kaste soundbites spuwende intellectuelen aan de kaak stelde. Het netelige van die analyse was alleen, evenals bij Posner, dat het een voorbeeld is van wat het aanklaagt: het begrip `punditocracy' is zèlf een soundbite.

In veel kritische beschouwingen over intellectuelen, zeker sinds de Val van de Muur, staat hun naïeve engagement met kwade zaken voorop. De auteurs borduren voort op Jean-François Revels diagnose van de totalitaire verleiding waaraan intellectuelen blootstaan. In The Reckless Mind, een bundeling van zijn essays voor The New York Review of Books, maakt de historicus Mark Lilla korte metten met de politieke dromen van denkers als Heidegger, Foucault en Derrida. En dan is het wachten nog op het werk van Frits Bolkestein, die onlangs in het universiteitsblad Folia zei een boek te willen schrijven over de rol van intellectuelen in de twintigste eeuw, volgens hem een onderbelicht onderwerp.

Mark Lilla biedt met The Reckless Mind een heldere maar conventionele waarschuwing tegen het radicale engagement van zulke filosofen die, in navolging van Plato, de wereld niet alleen willen begrijpen maar ook verbeteren. Filosofen zouden zich tien keer moeten bedenken alvorens zich in de politiek te storten, en Lilla raadt de lezer verder aan `in onszelf' te zoeken naar wat ons vatbaar maakt voor verderfelijke politieke ideeën; die impuls is volgens hem de ongebreidelde platoonse eros, het verlangen naar harmonie, utopieën, een betere wereld. Het boek lijkt vooral bedoeld als medicijn voor Amerikaanse studenten die Derrida en Foucault met de paplepel ingegoten krijgen, zonder de bijsluiter te hebben gelezen. De optimistische Amerikaanse psyche is vatbaar voor het idee dat alles sociaal of maakbaar is, en ziet de donkere kanten ervan graag over het hoofd.

Onheilsprofeten

Maar waarom zouden we ons eigenlijk zorgen maken als al die diagnoses elkaar zo tegenspreken? Als de ideële waar die intellectuelen leveren immers echt zo triviaal is als Posner denkt, is het maar goed ook dat ze niet serieus wordt genomen. Posner ontpopt zichzelf bovendien, ondanks zijn scherpe kritiek op onheilsprofeten als Bork, óók als een nostalgicus, die de sterkste punten van het verleden (George Orwell!) vergelijkt met de zwaktes van het heden, en als een declinist, die denkt in termen van verval.

Het probleem met de spraakmakende klasse lijkt eerder dat deze groep steeds meer een middelpuntzoekende in plaats van een middelpuntvliedende is geworden. De rol van de intellectueel als dissident, ordeverstoorder, luis in de pels, en sociaal criticus (Posner onderschrijft die allemaal) maakt plaats voor die van consensuszoekende vaderlander, zoals onlangs nog bleek uit de zouteloze verklaring van zestig conservatieve Amerikaanse intellectuelen over de `rechtvaardige oorlog' in Afghanistan.

Waar zijn intussen de dissidenten? Die dwarsliggers hebben zich en daar komt Posners universiteit om de hoek kijken verschanst achter onleesbare postmoderne tractaten in vooral de letterenfaculteiten. Mark Lilla hoeft zich niet zoveel zorgen te maken: `gevaarlijke' Europese intellectuelen worden bestudeerd ver weg van het publieke domein, en als Posner gelijk heeft dat publieke intellectuelen vooral een amuserende functie hebben, maakt het niets uit dat de subversieve Michel Foucault in zijn tophonderd staat.

Posner doet ook aanbevelingen om de markt voor intellectuelen transparanter te maken, om zo de kwaliteit ervan beter in de gaten te kunnen houden. Ze komen erop neer dat vooral universiteiten openbare databanken moeten aanleggen van alle publieke uitlatingen, bijdragen en opmerkingen van `hun' intellectuelen, zodat ze daarop kunnen worden aangesproken en `afgerekend'. Een vreemde suggestie, want het idee dat zo'n databank de onafhankelijkheid van intellectuelen zal herstellen is rijkelijk naïef.

Eerder lijkt het nuttig dat intellectuelen zelf openhartiger zijn over hun inzet voor de publieke zaak. In The Truth of Power doet de socioloog Benjamin Barber verslag van de sessies die hij bijwoonde met Bill Clinton, die hem binnen luttele seconden het gevoel gaf dat hij zijn beste vriend was, en met de ijverige maar sociaal onhandige Al Gore. Barber kan tegen het einde van het boek zijn ontgoocheling niet verbergen. De Macht had geen boodschap aan de Waarheid – en ook dat is een waardevolle les.

Eén punt uit Posners aanklacht is behartigenswaardig: intellectuelen zouden zich niet, oog in oog met de microfoon, moeten gedragen alsof ze op vakantie zijn. De zaken een keer niet makkelijker, snediger of scherper voorstellen, kan ook onderhoudend zijn.

Richard A. Posner: Public Intellectuals. A Study of Decline. Harvard University Press, 408 blz. €40,50

Benjamin Barber: The Truth of Power. Intellectual Affairs in the Clinton White House. Norton, 320 blz. €36,90

Mark Lilla: The Reckless Mind. Intellectuals in Politics. New York Review of Books, 230 blz. €34,50