Een man uit de pre-historie

De poëzie van H. Marsman leeft nog maar weinig. Niet terecht: meer dan welke Nederlandse dichter ook gaf Marsman gestalte aan het interbellum. Dit is de vijfde aflevering van Benno Barnards serie `Dichters van het avondland'.

In het holst van mijn jeugd kreeg ik gezelschap van de dichter H. Marsman, een soort gesublimeerde puber, zoals ik later meende, in wiens brutale beeldspraak mijn emoties alle kanten op schoven, als slecht gestouwde lading in het ruim van een stampend schip; van de `ringmuur der eeuwigheid' naar het `zachte golven van haar buik' bijvoorbeeld. De helft van al die ontzagwekkende metaforen begreep ik niet, maar als zestienjarige blies ik wel makkelijker dan tegenwoordig het stuifmeel der planeten over den melkweg — en tenslotte snapte ik van mezelf ook niet zoveel.

Ook de vent Marsman was als een oudere broer. Op foto's bewonderde ik zijn heersersgelaat, dat in mijn verbeelding iets marmerachtigs had, nog geaccentueerd door het zwart-wit waarin het interbellum zich nu eenmaal afspeelde: hij had een blik die wetten scheen uit te vaardigen, onder een donderkop van haar. Ik bestudeerde De vriend van mijn jeugd, Arthur Lehnings herinneringen aan de dichter, die er volgens hem op zijn achttiende als een gezonde Germaan had uitgezien, ondanks zijn zwakke gezondheid. En natuurlijk las ik, helemaal in trance, de geromantiseerde herinneringen van Marsman zelf, Zelfportret van J.F., nog altijd iets om in te zwelgen voor aspirant-dichters.

Ja, deze was mijn held! Weliswaar had hij rechten gedaan, een vorm van hogere onbenulligheid, maar na een korte carrière als advocaat had hij zich helemaal aan de literatuur gewijd, in landstreken waar de citroenen bloeiden — vanzelfsprekend behoorde Südweh tot mijn juveniele geloofsartikelen. Bovendien was hij benijdenswaardig jong gestorven, goed en wel veertig, op tamelijk kosmisch-expressionistische wijze, in een getorpedeerde boot... Ouder worden dan veertig was volgens mijn inzichten nogal kleinburgerlijk.

Wat de poëzie betrof: ik dweepte vooral met de vitalistische gedichten, die dankzij het placebo-effect een geschikt antidotum tegen melancholie bleken, toen door mij Weltschmerz genoemd (mijn God, die schooljongensromantiek van me was wel erg Duits, erg Novalis, Heine, Rilke, en via Marsman ook erg Trakl... maar nog steeds koester ik een aan collaboratie grenzend zwak voor de taal van die dichters). Het beroemdste vitalistische gedicht leerde ik uit mijn hoofd, `Lex barbarorum', dat gelukkig maar tien regels telde:

Geef mij een mes.

ik wil deze zwarte zieke plek

uit mijn lichaam wegsnijden.

ik heb mij langzaam recht overeind gezet.

ik heb gehoord, dat ik heb gezegd

in een huiverend, donker beven:

ik erken maar éen wet:

léven.

allen, die wegkwijnen aan een verdriet,

verraden het en dat wìl ik niet.

Misschien een beetje idioot om deze klassieke regels in extenso te citeren; maar ik krijg de indruk dat Marsman (op één evergreen na) morsdood is, nog net een naam voor jongeren, maar geen gedichten meer. Wee de dichter die in onze zomp ter wereld komt — moerasgas verlamt er iedere zin voor traditie.

Hoe dat zij, zo'n mes moest ik ook hebben. De schreeuw van mijn broeder Henny was mijn schreeuw.

Wist ik veel.

Hij werd geboren op de valreep van een wereld, in 1899, te Zeist, Tweede Dorpsstraat 48. Negers en kleurlingen hurkten nog rond de rokken van Victoria. Wilhelmina zat een jaar op de troon der Oranjes. Nietzsche, krankzinnig, zou spoedig sterven. Hitler was tien; in zijn geboortejaar had Gorter de Mei gepubliceerd, door vader Marsman verkocht in zijn boekwinkel op hetzelfde adres.

Is de biografie van een dichter eigenlijk belangrijk?

In onze beschaving bestaat de tendens om de maker van zijn poëzie weg te houden, als een handtastelijke vader van zijn dochter. Van Plato tot Derida (want postmodernisme is platonisme met een mombakkes) hebben de dominante wijsgerige stromingen het geesteskind losgefilosofeerd van de madenzak waaraan het was ontsproten. De heilige Franciscus noemde het lichaam `broeder ezel'. De denkers van vandaag beschouwen het ik als een illusie, wat op hetzelfde neerkomt. In hun godsdienst is de hemel vervangen door de cultuur, dat hiernamaals van dode kunst.

Mis! zeg ik. Een Verzameld werk is altijd verknoopt met een Verzameld leven, ook als het geen spoor van autobiografie vertoont. En door die ene mens staat het in een tijdperk, klinkt het in een taal, verhoudt het zich tot anderen. De latere die het Ergens en Ooit van een dichter bestudeert, plaatst zijn gedichten weer voor hun historische achterdoek — en daarmee redt hij ze van de eeuwigheid, waarin de meeste sowieso tot vergetelheid zijn gedoemd. Ik durf te beweren dat een `geschiedkundige lectuur' heel wat lijken weer tot leven kan wekken, die bij een esthetiserend-semantisch-literair-wetenschappelijke aanpak zo koud als de kip van eergisteren zouden blijven.

In het geval van Marsman is er behalve Lehnings subjectieve, van 1954 daterende schets, die min of meer met het oeuvre is vergroeid, vooral het corpulente Zee, berg, rivier van Jaap Goedegebuure, uit 1999, dat veel liefde aan veel feitenkennis paart — een berg vol muizen, want er zijn talloze essays en commentaren van anderen in verwerkt. Jammer dat er geen Zeister Boek- en Kunsthandel meer bestaat, met een plankje voor Marsman en zijn biografen-analisten.

In 1905 verplaatste Jan Frederik Marsman (dat `J.F.', in Zelfportret van J.F., Jacques Fontein heet de protagonist, kwam dus van de verwekker) zijn winkel naar de Tweede Dorpsstraat 34. De familie, inmiddels uitgebreid met nog twee zoons, nam zijn intrek in het bijbehorende woonhuis. Om de hoek begon de oprijlaan naar het Slot Zeist, waaromheen in een dubbele carré de gebouwen van de Evangelische Broedergemeente der Hernhutters lagen: hier bezocht Henny (een `afgrijselijke naam' volgens Du Perron) de lagere school. Weliswaar waren zijn ouders hervormd, maar zijn vader was dat op de conformistische wijze waarop iemand nu Nederlands-buitenkerkelijk is, terwijl zijn moeder naar het bevindelijke zweemde en regelmatig de diensten van de Hernhutters bijwoonde, in de glanzend witte kerk met de witte banken van deze kuise, lieve mensen.

In Marsmans poëzie wordt wit dikwijls met de dood geassocieerd: een kerkhofmuur is `blinkend wit', sneeuw valt nooit zomaar, crucifixen zijn lijkbleke vlekken in het duister, het `absolute wit' van de kamer waarin de hoofdpersoon van Tempel en kruis zit te schrijven is ook dat van zijn papier en iedere half-ontwikkelde voelt wel aan dat een schrijver sterft als zijn papier wit blijft... etcetera. Misschien moeten we de herkomst van een en ander wel bij Arthur Rimbaud zoeken, die in het sonnet `Voyelles' (het meest geëxegetiseerde gedicht uit de Franse poëzie) wit de kleur van de E noemt; schriftgeleerden hebben in die E zowel vrouwenborsten als het Latijn voor `ivoorwit' (eberneus) herkend. Marsman, die door Trakl tot Rimbaud was gekomen, kende zoals zijn hele generatie goed Frans, dankzij het feit dat hem op de Hoogere Burgerschool nooit was gevraagd of die taal wel in zijn belevingswereld paste en of hij niet liever Economie II deed. Het is dus een plausibele hypothese dat hij die E met enterrement (begrafenis) in verband heeft gebracht... Maar het is natuurlijk wel eenvoudiger om even te wijzen op het gebruik bij de Hernhutters om witte kleren aan te trekken voor een begrafenis.

Op de lagere school leerde hij Lehning kennen, met wie hij tijdens hun gezamenlijke HBS-jaren in Utrecht een archetypische jongensvriendschap sloot, die tot in het schoolelftal bloeide. Thuis sprak Arthur zijn moedertaal: Duits. Henny, met wie hij welhaast een symbiotische levensvorm ontwikkelde, werd even tweetalig als hij. Zo raakte de jonge Marsman volledig op Duitsland georiënteerd, cultureel, mentaal, politiek ook, als een weerhaan in een storm. Hij hoopte dat het Wilhelminische keizerrijk de wereldoorlog zou winnen, zoals wel meer beschaafde Nederlanders dat hoopten, onder wie ook zachtmoedigen als Aart van der Leeuw; voordat Duitsland in ons nationale trauma veranderde, was het namelijk het land van Bach en Goethe. (Helaas was het ook het land van die rotzak van een Wilhelm II, welk medaille-geschubd inteeltproduct van de Hohenzollerns in 1918 door Nederland als asielzoeker werd erkend, schandalig genoeg.)

Waartoe leidde de omstandigheid dat Marsman tussen zijn vijftiende en zijn negentiende de grande guerre dagelijks in de krant kon volgen, als een kubistische voetbalwedstrijd waar maar geen einde aan kwam? In elk geval tot een nogal middelpuntvliedend wereldbeeld, alsof het interbellum een enorme centrifuge was, die hem al rondtollend tegen de wand van zijn tijd aan plakte. En verder tot een massaal gebruik van woorden als dood, angst, bloed, rood, roet:

het paradijs is verbrand: ik proef roet.

dood, angst en bloed.

Regels uit `Doodsstrijd' (1926, hetzelfde jaar als `Lex barbarorum'). Tot en met Tempel en kruis, aan de vooravond van de nog veel grotere oorlog, blijft Marsmans semantische veld een slagveld, wat natuurlijk ook wel accordeert met zijn achternaam — zelfs in een huiskamer ziet hij nog bloed:

in het halflicht herkent hij de tint

van het kandinskiaans schilderij

dat als bloed in de schemering hangt —

Marsman had een broze gezondheid en herinnerde zich tien miljoen oorlogsdoden — je kunt wel zeggen dat de schematische Marsman uit drie delen doodsangst en één deel doodsverlangen bestond. Maar er is altijd meer context dan makkelijk is.

Bloed? Dood? Centraal in de prediking van de piëtistisch-lutherse Hernhutters staat de `verzoening door het bloed' (van Christus welteverstaan). Ook leeft in hun kring een sterke hiernamaalsverwachting, die onuitroeibare neoplatoonse aberratie van het jodendom, waarvan ik bij Duitsgekleurd christendom altijd het gevoel heb dat er een oeroude verheerlijking van de krijger in doorschemert.

Het spookte allemaal door Marsmans hoofd, nog gezwegen van de calvinistische erfzondedogmatiek, waarmee hij van huis uit vertrouwd was en die zich in zijn werk uit in `den angst van zijn ontredderd vlees', doodsangst, levensangst, lijfangst dus — Marsmanniaanse calvinisten zijn mensen die de coïtus nooit staande bedrijven, uit vrees dat dit tot dansen leidt.

Kortom, Marsman was evenzeer door de oorlog als door de godsdienst geconditioneerd. Bovendien voelde hij zich jarenlang aangetrokken door het rooms-katholicisme. Hij vloekte dan ook graag (zijn godverdommes waren legendarisch) en veel van zijn hevige beeldspraak is hevig religieus, respectievelijk anti-religieus, zoals deze passage (XXXVII) in Tempel en kruis, wanneer `de man van wien ik dit verhaal vertel' ter communie is gegaan:

`Wat deedt gij binnen den muur

van het kathedrale gewelf?

gij die ook in het Vuur

geen afstand zoudt doen van uzelf!

wat rest er nu nog van den smaad

dat de Droom van de Hoofdschedelplaats

alleen in het bevende hart

van het deemoedsgedierte bestaat?'

Dat is een vuistslag in Gods smoel, gegeven op instigatie van Nietzsche terwijl Jan Engelman aan zijn arm hing (maar die woog minder).

Hij schreef zijn eerste gedicht in 1916, het jaar waarin zowel Martinus Nijhoff als Paul van Ostaijen debuteerde, het jaar waarin de moderne poëzie `bij ons' begon; zijn eerste bundel, Verzen, verscheen in 1923 en maakte hem beroemd. Zijn volgende bundels bevestigden het toen ontstane imago: dit was `een stromend stuk natuur' (zoals hij een decennium later over Gorter zou dichten), een kosmisch mens, een leider, een vitalist. Een expressionist.

Een Pruis!

In 1921 en '22 was hij naar Duitsland gereisd, en in de garnizoensstad Potsdam, waar het Deutschtum in uniform placht te paraderen, zou hij zich geweldig hebben thuisgevoeld... Pose? Raar genoeg is het bijbehorende vers, `Potsdam', onder Franse invloed geschreven, in de a-lyrische, kubistische stijl van Cendrars en Apollinaire: dat was nieuw in Nederland, een simultaan-ruimtelijk gedicht, waar de onthutste lezer van 1923 geen logische structuur in vermocht te ontwaren, zoals de soldaat van 1917 ook niet wist of de slag bij Passchendaele nu in de rechterbovenhoek dan wel in de linkerbenedenhoek van de wereldoorlog plaatsvond.

Marsman was dan ook van Berlijn naar Parijs getrokken — en het is interessant te lezen wat hij in een brief aan Arthur Lehning over de oudste dochter van de Kerk schreef, en vervolgens over Duitsland: ,,Ik dans met Madeleine in Montmartre!... De absolute, vrije vreugde. Lied en wijn... En nergens ter wereld, kan ik nu zeggen, is déze vreugde, kramploos, vrij, zwevend, zoo mogelijk als daar. (...) wij moeten dat andere kennen, dit land van Droom en Licht...Frankrijk is kortzichtig, Duitschland ruim en donker, diep daarentegen.'

Zalige clichés. Hij was ook nog zo ontzettend jong; en hij is natuurlijk nooit oud geworden.

Het vitalisme intussen is de kapstok waar zijn jas na zijn dood aan is blijven hangen, maar strikt gesproken schreef hij enkel halverwege de jaren twintig vitalistische gedichten. Wat een idioot woord trouwens — het doet aan cholesterolverlagende margarine denken, en voorts aan Friedrich Nietzsche, die hij pas in 1933 zou gaan lezen, maar wiens geest even dreigend door Europa waarde als dat stuk wasgoed van Karl Marx.

Hij bedoelde zijn vitalisme heel stoer, Henny. Hij droomde van een schitterende paradox: een gemeenschap van solitairen. Hij zocht geestverwanten, aristocratische enkelingen zoals hijzelf, en legde daartoe de zweep over zijn generatie. Waarachtig, die grote jongen verlangde naar een soort Zwarte Hand voor volwassenen! Maar hij had een overgevoelig gemoed en dito bronchiën — de leider der vitalisten was dikwijls melancholiek, of anders wel verkouden.

Marsman was bepaald niet de enige kunstenaar in het interbellum die een `bezield verband' zocht (hij gebruikt die welbekende term overigens pas in Tempel en Kruis). Charles Maurras richtte de Action Française op. Willem Mengelberg dirigeerde mede zo graag symfonieën, omdat hij het geordende collectief liefhad. J.C. Bloem proefde een zekere noblesse in de denkbeelden van Mussolini, maar zei zijn lidmaatschap van de NSB direct weer op toen hij ontdekte dat Anton Mussert nog nooit van Maurras had gehoord. Enzovoort. George Orwell en veel anderen kozen dan weer de zijde van de Spaanse republikeinen. Arthur Lehning omhelsde de libertaire arbeidersbeweging en het anarcho-syndicalisme. Enzovoort. De halve Europese intelligentsia hing uit het lood, naar links of naar rechts.

Hendrik Marsman hing dus naar rechts, naar mijn aanvoelen trouwens de natuurlijke inclinatie voor een schrijver, die zichzelf daarbij dient te corrigeren door links te stemmen. Maar Marsman beschouwde de hele democratie als verwerpelijke nonsens, een door de Franse Revolutie gebaard gedrocht — in een ander epistel aan Lehning informeerde hij vriendelijk of deze niet van `dat tuig, het proletariaat' walgde, wat zo anachronistisch klinkt dat het wel weer iets verfrissends heeft. Vijf jaar later (in 1926) schreef hij `Heimwee'. waaruit de ietwat krankzinnige opvatting spreekt dat de renaissance het graf van de Middeleeuwen was, godverdomme!

De tijden zijn zwart.

Wij zijn eeuwen en eeuwen te laat geboren.

(...)

en die een krijgsman had willen zijn

in de hartstochtelijkste aller tijden,

moet nu in late verwilderde woorden gewagen

van eeuwen, die versomberden tot verhalen

– duister en vurig – van Kruistochten

en Kathedralen.

Voor zo iemand waren er in Europa twee bezielde verbanden om uit te kiezen: het fascisme en het rooms-katholicisme (desgewenst kon je ze ook combineren, zoals Maurras deed).

In politiek-correct perspectief lijkt het misschien komisch een onderscheid tussen fascisme en edelfascisme te maken, maar Marsman verfoeide de totalitaire massabeweging net zo hard als de democratie: beide waren een pervertering van de antieke wereld en de katholieke Middeleeuwen, die twee gezichten van Rome. Over de Duitse revolutie schreef hij in 1934 in een brief aan Anthonie Donker: ,,Ik sta veel afwijzender tegenover de zaak, omdat de heele affaire mij veel te democratisch, en plebeïsch is.' (Hoe onnozel, ja, misdadig haast, zeg ik achtenzestig jaar later, om zo op de zuil van de democratie heen en weer te wippen, als kabouter Spillebeen op zijn paddestoel!)

Bleef over de Kerk. En dus begon hij aan zijn `flirtation met Rome', zoals Lehning het uitdrukt in zijn memoires, aangevuurd door de dichter Jan Engelman en de apologeet-essayist Gerard Bruning. Dominee Ter Braak vond het niet goed en beschimpte Marsman openlijk. In het literaire tijdschrift De vrije bladen verscheen deze anonieme grap: `Jij wordt nooit katholiek!' `En waarom niet?' `Het zou te lang duren voor je paus was!' En inderdaad, Marsman heeft zich nooit laten dopen — maar de `narcose van Middeleeuwen en katholicisme' (nogmaals Lehning) zou tot in de jaren dertig duren, toen hij ten slotte Van Nazareth inruilde voor de Bovenmens.

Wat hij allemaal in de kerk deed, is niet duidelijk. Niemand weet of hij effectief knielde, bad, communiceerde, zich overgaf. Dat was een deel van zijn intimiteit. Waarschijnlijk geneerde hij zich ook, maar intimiteit is altijd met schaamte verbonden.

Ik hoef het niet te weten. Ik weet ook niet wat hij in bed deed. Was de seks met zijn vrouw bevredigend, of om binnen zijn eigen idioom te blijven: paarden zij bezield, Henny en Rien?

Eind 1929, bezig zich als advocaat in Utrecht te vestigen, was hij met Rien Barendregt gehuwd. Veel hart in veel boezem, maar bedilziek, moederlijk, dominant, een bodyguard die hem de borst gaf. Binnen dit matriarchaat was geen ruimte voor nageslacht, in eerste instantie om economische redenen niet, maar ook het malle fabeltje dat kinderen de kunst hinderen speelde een rol.

Erg sexy ziet ze er op de foto's niet uit: brillenglazen als patrijspoorten, die het bolronde van haar gezicht accentueren, evenals het pagekapsel, dat in haar geval meer van een tuchtmaatregel weg heeft. Iets masculiens, net als eerdere vriendinnen van Marsman, de schilderes Charley Toorop voorop. Overigens schijnt Rien hem met alle plezier in haar tempel te hebben ontvangen. En nu ik toch in hun slaapkamer sta: Marsman, die als kind `van de sterren' dacht te zijn gekomen, tenminste in zijn rol van Jacques Fontein, reageerde als een halve Weininger op de niet aflatende bedrijvigheid van de vrouwelijke schoot, met een soort cultische schrik. Of, democratischer geformuleerd: hij vond menstruatiebloed vies. Bloed... Symboliseert die vloeistof ergens meer, dan op het drukste kruispunt van de geschiedenis?

Ik laat de psychologie graag aan de psychologen over, maar volgens mij is de noorderling die in Tempel en kruis onder de laaiende zon aan het mediterrane water staat, verschanst achter een borstwering van culturele bagage, terwijl achter zijn rug `de cultuur gelijk Atlantis zinkt' — volgens mij is die man gewoon een beetje bang voor vrouwen.

Als volwassene heb ik jarenlang een grote weerzin tegen Marsman gevoeld, vermengd met een analoge afkeer van mijn puberteit. Ik gruwde van dat être, van zijn hysterische grootspraak, zijn deutschtümelnde flauwekul, de onverdraaglijke kitsch van Germanendom à la `Lex barbarorum'... Een mes? Een watjekou kon ie krijgen, die valsche mof!

Maar de tijden veranderen en wij met hen, en ook de poëzie van vroeger blijft meeveranderen. Niet lang geleden bleef mijn blik nog eens aan Tempel en kruis haken; ik herlas het en vond het schitterend. Ik ben altijd (het klinkt zot maar het is zo) verliefd geweest op het interbellum, naar mijn smaak het meest belangwekkende en hulpeloze tijdsgewricht van de voorbije tweehonderd jaar, met zijn pakketboten, Blaue Reiter, gasoorlogangst, zijn caleidoscopisch langs mijn geestesoog flitsende beelden van ijzeren brilmonturen, tropenhelmen, kiekjes van de Azuren Kust, zijn obsessie met de ondergang van het Avondland en de ideeën van de filosoof met de overbodige letters in zijn naam. Ik ben decennia en decennia te laat geboren. Ik lees heel graag boeken in de spelling De Vries en Te Winkel.

Gedichten weten meer dan dichters; en zoals `alleen de contemporaine lezer' volgens Lehning `tussen de regels, achter de woorden, beelden en rhythmen, ephemere imponderabilia (weet) te ontdekken, die toèn deze poëzie zo anders maakten', zo hoort alleen de latere lezer in de freudiaanse versprekingen van één mens de dwanggedachten van een heel tijdperk.

Meer dan welke Nederlandse dichter ook gaf Marsman gestalte aan het interbellum, en nu ik ouder ben dan hij ooit heeft mogen worden, verzoent dat besef me met de enigszins belachelijk geworden passages in zijn werk. Zijn eerste gedicht publiceerde hij in december 1918, Tempel en kruis voltooide hij in december 1939, dus ook dat klopt. De criticus Rob Schouten vond in 1990 dat `weinig vooroorlogse klassieke poëzie zo gedateerd (is) als die van Marsman', maar voor mij is dat geen bezwaar en in zekere zin zelfs een aanbeveling.

Ik tuur naar zijn portretten: het marmer is nu vlees en bloed, de heerser een dolichocefaal, met een aandoenlijk kapsel en een ongemakkelijke grijns. Op sommige foto's draagt hij een plusfour, à la Kuifje. Vanzelfsprekend is het allemaal voorbij, voorbij; is hijzelf een o en voorgoed voorbije, een ik die na al dat schokkerige expressionisme halverwege Tempel en kruis een ondergangslied voor zichzelf en zijn cultuur zingt in de klassiekste aller vormem, de alexandrijn:

Ik die bij sterren sliep en `t haar der ruimten droeg

als zilveren gewei, en `t stuifmeel der planeten

over den melkweg blies en in de maan gezeten

langs `t grondeloze blauw der zomernachten voer,

(...)

zal bijten in het zand als een kreperend dier.'

Maar in de kromming van het tijdeloze ogenblik die mijn denken beheerst, wordt het voorbije het herinnerde en het herinnerde het tegenwoordige.

`Wohlan, wohlauf!' om met Zarathustra te spreken.

En dus rijd ik op een asgrauwe januaridag Zeist binnen, langs de Utrechtseweg, die geflankeerd wordt door huizen met erkers, voormalige buitenplaatsen en het erbarmelijke kubisme van het TNO en de Triodos Bank, onder donderkoppen die de frisuur van Henny Marsman evoceren. Ik parkeer bij de oprijlaan naar het Slot. Motregen. De witte kerk is dicht. Bij het kasteel doceert een bord dat het hele goed in 1767 aan de Broedergemeente is verkocht, en in 1924 voor 130.000 gulden aan de gemeente. De Hernhutters zitten er nog steeds.

Om de hoek is op 34 restaurant Akropolis gevestigd, dat de tempelberg op zijn etalageruit heeft afgebeeld, in die deprimerende hoerastijl waarin het Helleense genie zo zoek is. De gevel, in Zee, berg, rivier nog meticuleus negentiende-eeuws metselwerk, met ramen die geduldig de gulden snede uitleggen, boven een pui vol boeken, is nu (horresco referens hoor je dan als gymnasiumsnob te zeggen) met vuile marmeren tegels bekleed, waarin acht vierkanten zijn uitgespaard. Ik stap naar binnen. De ober betrekt als ik hem vraag of ik niet hoef te eten, maar wel even, boven, in de privévertrekken, de verstorven geruchten van een dichtersleven mag pogen op te vangen, iets onstoffelijks in het ongetwijfeld grondstoffelijke interieur... Dat klinkt hem te metafysisch. En de baas is er niet. Maar buiten is een gedenksteen. Hij wijst op de in zijn sirtaki verstarde Griek van board, die een schotel met gespietst lamsvlees aan de Tweede Dorpsstraat offreert; en werkelijk, achter zijn met een kwastje versierde linkerknie tref ik het armzaligste literaire gedenkteken van Europa aan, zo'n smerige tegel, met de tekst: In dit huis heeft de dichter mr. Hendrik Marsman gewoond van 1905-1921. Aldus het kleinburgelijke Zeist, dat meester Marsman zo verafschuwde. Er is in Holland waarlijk niets veranderd onder dat beetje zon.

Zeven nummers verderop kan ik in het geboortehuis Turks eten. Als ik leunend tegen een auto de gevel schets, die nog min of meer intact is, komt een jong meisje uit de Dönerkebab Grillroom op me af gefladderd.

,,Meneer, staat u te schrijven?'

,,Zoals je ziet.'

,,Maar toch geen boetes?'

Holland. Je bezoekt een dichter en die Saartje Burgerhart is bang dat ze moet betalen.

,,Marsman?' zegt ze wanneer ik mijn aanwezigheid in dit Zeist heb toegelicht. ,,Echt? Ik had een leraar euritmie, die altijd gedichten van Marsman gebruikte.'

,,Weet je nog welke?'

,,Iets met plassen erin, huppeldepúppup...'

,,Denkend aan Holland?'

,,Zou kunnen. Maar 't kwam niet echt op de woorden aan, meer op het ritme en zo.'

Het eethuis, half gevuld met voor zich uit broedende Turken, is van een Anatolische droefgeestigheid die je ten noorden van Brussel zelden aantreft. De baas, massief, ongeschoren, plant tussen mij en de wieg van mijn dichter zijn handen in de zij. Ik zeg dat ik eigenlijk een dichter zoek – ik klink ongetwijfeld alsof ik uit eeen gesloten inrichting ben ontsnapt.

,,Bedoelt u Marsman?' Geen spoor van verbazing in de zware stem met het lichte accent. Zelf heet hij Boutahar. Hij gaat me door zijn morsige pijpenla voor naar een kale trap, die Anatolië met een rommelig entresol verbindt; een volgende kale trap voert naar de bovenverdieping.

,,Vijf jaar geleden was dit een Nederlands restaurant.'

,,En daarvoor?'

,,Een zaak in auto-onderdelen.'

hij loopt het huis rond

en betast den muur;

hier was zijn kamer -

hier lag zijn moeder in haar agonie...

Tempel en kruis, regels uit de IXde zang. Maar waar is hier?

Boven woont een huurder die Frank heet; hij hoort ons op de overloop en verschijnt in zijn deuropening, morose, met grijs bespikkelde wangen, dertig à zestig jaar oud.

,,Marsman? Hier geboren?' Het idee lijkt hem warempel op te beuren; ik mag best een biografische blik op zijn studio werpen.

,,Kent u iets van Marsman uit uw hoofd?', vraag ik nadat ik niks gezien heb.

,,Absoluut.' Hij gaat in een soort houding staan. ,,Denkend aan Holland zie ik traag laagland... traag laagland...'

1933. Marsman publiceerde de bundel Porta nigra en verklaarde in een geruchtmakend stuk het vitalisme voor dood. De apostaat begon Nietzsche te bestuderen en had daarmee een nieuw object voor zijn vereringsdrift gevonden. Hij gaf de advocatuur eraan en vertrok in november met zijn lijfwacht naar het zuiden, dat hij volledig door de bril van Nietzsche bekeek, die zoals bekend bijziend was – grote woorden als `dionysisch' en `apollinisch' betoverden de eeuwige puber.

De laatste zes, zeven jaar van zijn leven zwierf hij door Frankrijk, Spanje en Italië. Soms keerde hij naar Holland terug, zij het gewoonlijk in gedachten – en in gedichten, dat fameuze `Herinnering aan Holland' om te beginnen. (Dat vers heeft inmiddels zijn plaats tussen het Delfts blauw en Kinderdijk ingenomen; verbazingwekkend genoeg staat het nog steeds niet in velerlei talen op de landingsbanen van Schiphol, iets waar het zich ook qua vorm toch uitstekend voor leent.)

In de lente van 1939 huurden Henny en Rien een houten châlet op een naakte heuveltop in de Haute-Savoie, met uitzicht op de Mont Blanc. Op een foto zie je ze aan twee verschillende tafels zitten, een geconcentreerd echtpaartje, zij lezend, hij werkend, ongetwijfeld aan Tempel en kruis, dat hij hier in één grandioos gebaar zijn ziel uit flikkerde – op een andere kiek (dat is echt het woord) leest hij, uit een raam naar buiten leunend, een pas voltooid fragment aan zijn vriend D.A.M. Binnendijk voor, die met melkwit bovenlijf half vakantie staat te vieren, half literatuurgeschiedenis te worden. Het is juli. Je ruikt de berglucht, de teer in de ruwe planken. Net niet hoor je zijn stem in deze onvoltooid tegenwoordige tijd.

In de episch-lyrisch-filosofische autobiografie die Tempel en kruis is graait Marsman, die aanvankelijk de hiërarchie in de kerk van Rome zo aanlokkelijk vond, als een drenkeling naar Nietzsches interpretatie van het christendom als vernietiger van de antieke wereld en verbreider van een slavenmoraal. Dat voert hem in de Lste van de LI zangen tot deze prachtige conclusie:

dat twintig eeuwen

ademloos verstreken

en in zijn hart

antieke vrede

was gedaald.

Overigens vind ik het curieus hoe klakkeloos dat soort Nietzscheaanse stellingen zijn nagepraat door de verzamelde Europese breinen – wat in elk geval bewijst hoe groot de haat tegen die verschrikkelijke neoplatoonse dichotomie van hemel en aarde na Verdun geworden was.

O, Nietzsche is een van mijn revolverhelden! Maar ik denk dat hij even weinig van Jezus begreep als Hitler van Nietzsche. Arm, gevaarlijk genie... Ook wie meent dat de laatste priester gewurgd zou moeten worden met de darmen van de laatste dominee, kan niet ontkennen dat het door de filosoof met het timmergereedschap zo verfoeide medelijden het laatste is wat doen lijden misschien nog voorkomt.

Ondertussen werd het 1940 en besloot Marsman voor het Twaalfjarige Rijk naar Engeland te vluchten. Zo kwam hij aan zijn eind. In de nacht van 20 op 21 juni werd het schip dat hij bevoer, de ms Berenice, in het Kanaal getorpedeerd (al is die uitleg van de midscheepse ontploffing die zich voordeed later door een maritiem historicus betwist). Rien werd uit zee opgevist en zou nog tot 1953 met een verbrijzelde voet als de weduwe Marsman doorleven.

Nog in 1961 omschreef Kees Fens niet Nijhoff maar Marsman als `de belangrijkste dichterfiguur van tussen de twee wereldoorlogen'. Hoe is het dan mogelijk dat hij nu ook als dichter zo morsdood lijkt, op dat ene, atypische gedicht na? Is hij soms te ernstig? Te pathetisch? Wekt hij te veel herinneringen aan dat vooroorlogse schimmenrijk van de pre-ironie, dat wij niet zo leuk vinden?

De spelling in briefcitaten heb ik onveranderd gelaten. Marsmans poëzie is in de thans verkrijgbare editie herspeld, op de naamvalsuitgang in `den' na – om voor de hand liggende redenen heb ik die keuze gevolgd.

De schreeuw van mijn broeder Henny was mijn schreeuw

Ik ben altijd verliefd geweest op het interbellum

Gerectificeerd

Herstel

In de kop bij het artikel van Benno Barnard over H. Marsman (CS 15/3) is een fout gemaakt. Er stond `Een man uit de pre-historie'. Dat had moeten zijn `Een man uit de pre-ironie'.