Dominantie links in Europa nadert einde

Zes landen van de Europese Unie gaan dit jaar naar de stembus, te beginnen zondag met Portugal. Daarmee lijkt een einde te komen aan de dominantie van centrum-links. Wat betekent dat voor het engagement met Europa?

Gerede kans dat de Europese Unie dit jaar van politieke kleur verschiet. In de meeste EU-landen is centrum-links aan de macht. Maar met verkiezingen in zes landen voor de boeg, zit er een ,,conservatief Europees reveil'' in de lucht, meent Joshua Livestro. Hij is naaste medewerker van Europees Commissaris Frits Bolkestein en voorzitter van de Nederlandse Edmund Burke Stichting, die ijvert voor de verbreiding van het gedachtegoed van de achttiende-eeuwse conservatieve Britse schrijver-filosoof.

In de meeste opniniepeilingen in Europa staan de partijen rechts van het midden er over het algemeen beter voor dan die ter linkerzijde. In Spanje en Oostenrijk regeert centrum-rechts al enige tijd. Vorig jaar kwamen daar Italië en Denemarken bij, met steun van rechts-populistische partijen, net als in Oostenrijk. Ook in Noorwegen, dat geen deel uitmaakt van de EU, was afgelopen najaar een verschuiving naar rechts zichtbaar.

Dit weekeinde gaat Portugal naar de stembus, later dit voorjaar gevolgd door Nederland, Frankrijk en Ierland. En in september zijn er nog verkiezingen in Zweden en Duitsland. Met uitzondering van Ierland (waar partijen moeilijk in links en rechts zijn in te delen) allemaal landen met centrum-linkse coalities, waarin de sociaal-democraten de eerste viool spelen. En die hebben het moeilijk, signaleert Livestro, niet zonder tevredenheid, onder verwijzing naar de prognoses.

Volgens Frank Delmartino, hoogleraar politieke wetenschappen aan de Katholieke Universiteit in Leuven en het Europa College in Brugge kunnen uitslagen in Italië, Denemarken en Noorwegen niet zomaar doorgetrokken worden naar landen waar dit jaar verkiezingen zijn. De economische malaise en de terreuraanslagen in de Verenigde Staten spelen behoudende stromingen in de kaart, zegt Delmartino, maar je mag de nationale context niet uit het oog verliezen.

Toch vindt Livestro dat het gesternte voor de conservatieven niet ongunstig staat. Bovenaan de conservatieve agenda staan onderwerpen die centrum-links niet of onvoldoende zou hebben aangepakt: versobering van sociale regelingen, flexibilisering van het arbeidsbestel en harder optreden tegen asielzoekers en immigranten. Tezamen met versterking van `maatschappelijke kerninstituties' als gezin en school lopen ze ook als rode draad door de programma's van partijen met een rechtse signatuur in EU-landen.

Zou een `conservatief reveil' ook betekenen: minder engagement met Europa? ,,Centrum-rechts zoekt het eerder in beperking tot kerntaken'', zegt Livestro. Hij beschouwt dat als een welkome correctie naar een ,,realistischer Europa-politiek''. Ook de Berlijnse politicologe Ulrike Guérot maakt gewag van een kentering. ,,Voor de oplossing van allerlei problemen hebben we méér Europa nodig, maar het wordt steeds moeilijker daarvoor voldoende steun onder de bevolking te krijgen.'' Ze staat aan het hoofd van de afdeling `Europa' van de Deutsche Gesellschaft für Auswärtige Politik, een invloedrijke Duitse denktank over internationale betrekkingen.

De recente invoering van de euro heeft, zegt Guérot, de Europa-koorts wel wat opgevoerd. Maar verder bespeurt ze voornamelijk groeiende euroscepsis en heroriëntatie op nationale kaders. Zie bij voorbeeld het verzet van de Duitse bondskanselier Gerhard Schröder tegen een reprimande van Brussel voor zijn begrotingsbeleid. Of de gereserveerde opstelling van de Italiaanse regering-Berlusconi jegens Europa. Of het pleidooi van de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Jack Straw, om de positie van de Europese Commissie te verzwakken.

Guérot is er niet zeker van dat de net begonnen conventie over hervorming van de Europese instellingen het tij zal keren. Daarvoor is `Europa' volgens haar te veel ,,een aantrekkelijke zondebok'' voor nationale ongenoegens geworden. ,,Regeringen die hun beloftes niet waarmaken, wentelen dat tegenwoordig gemakkelijk af op Europa. Daar scoor je mee in de publieke opinie.''

Delmartino deelt deze zorg. ,,De elitaire consensus van weleer werkt niet meer. Europa was lange tijd een zaak van de politieke elites, en de publieke opinie vond het best. Die dacht: `Adenauer weet wel wat-ie doet''' Of in de Nederlandse variant: `Waar we heen gaan, Jelle zal wel zien'.

De Europese kiezer anno 2002 is in meerderheid nog wel pro-Europees, volgens Delmartino, maar niet overdreven. En dat zal zijn weerslag hebben op ambities als de EU-uitbreiding naar het oosten. ,,De politieke elites zien er de voordelen van in, maar de burgers vragen al gauw: wat gaat ons dat kosten? Bij eerdere uitbreidingen van de Europese Unie kwam die vraag nauwelijks op, nu kan geen politicus of partij er nog omheen.''

Behalve een `conservatief reveil' is er nog een andere omstandigheid die de eurosceptici in de kaart kan spelen. In het Europese bestel speelt het roulerende, halfjaarlijkse voorzitterschap een belangrijke rol. Het wordt nu bekleed door Spanje, waarna achtereenvolgens Denemarken, Griekenland, Italië en Ierland aan de beurt komen. Stuk voor stuk `voorzitters' die de Europese Unie de afgelopen jaren nogal wat kopzorgen hebben bezorgd en die kunnen nopen tot bescheidenheid. Eén lastige voorzitter, schreef het Britse weekblad The Economist onlangs, kan nog worden weggewuifd als pech. ,,Maar zouden vijf op rij het begin van een vervelende trend kunnen zijn?''