De kleine kroket nu grondig geanalyseerd

De kroketten in het restaurant zijn aan de kleine kant.

Dit simpele, vrijwel iedereen bekende gedicht is van de Zestiger C.B. Vaandrager. Je kunt het analyseren als een gedicht, je merkt het rijm op en de alliteratie, maar tegelijk vraag je je af of dit wel een gedicht is en niet gewoon een mededeling. Letterlijk is het een kritische kanttekening bij een facet uit het dagelijks leven, figuurlijk kritiseert het de opmerking zelf. Maakt zeuren over kleine kroketten de zeurder immers niet ten minste zo klein?

In Zestig - een nieuwe datum in de poëzie laat Mourits zien hoe twee literaire tijdschriften uit de jaren zestig, Barbarber en Gard Sivik (later De Nieuwe Stijl) grossierden in de paradox. De redactieleden `willen poëzie maken die midden in de werkelijkheid staat en die geen afstand scheppende beelden nodig heeft, maar dit ideaal is niet te verwezenlijken zonder die beelden toch te gebruiken,' stelt Mourits.

Naast de ingewikkelde gorgeltaal van Lucebert stelden de Zestigers het gewone woord. Ze wilden zonder literaire pretentie het `bijzondere van het gewone' laten zien. Het gewone woord werd zó gewoon, dat menig literatuurbeschouwer zich afvroeg of dit nog wel poëzie was. Door deze twijfels bleven serieuze analyses, die wel werden losgelaten op de Vijftigers, bij de Zestigerspoëzie grotendeels uit. Wat wil je ook met dichters die zeggen dat je met hun tijdschrift goed `je reet kunt afvegen onderweg. Het gebeurt namelijk zo vaak dat je poepen moet en geen papier hebt. Het papier dat wij gebruiken veegt goed'.

Mourits laat zien dat deze ogenschijnlijk zinloze poëzie wel degelijk te analyseren valt. Daarvoor is verbreding van het literatuurbegrip nodig: `Wie wil accepteren dat deze teksten literatuur zijn, wordt gedwongen zijn definitie van literatuur te verruimen'. De analyse leidt bijna telkens tot dezelfde conclusie: met het gedicht stelt de Zestiger het gedicht zelf ter discussie, zélfs (of misschien wel: juíst) als het gaat om een ogenschijnlijke kopie van het spoorboekje of een instructietekst bij een landbouwmachine.

Mourits gaat op zoek naar een breder kader om deze poëzie een plek te geven. In Amerika werd dezelfde soort poëzie, van bijvoorbeeld Frank O'Hara, Marianne Moore en William Carlos Williams, onder het postmodernisme geschaard, mede wegens verbanden met tv en pop art. Verwijzingen uit de dagelijkse werkelijkheid maakten de nieuwe poëzie tijdelijk van aard en ondermijnde in een moeite door het belang ervan. Tegelijkertijd waren zowel in Amerika als in Nederland dichters met hetzelfde bezig, zo toont Mourits aan.

De avant-gardistische kunst droeg eveneens bij aan zelfrelativering. Barbarber-Zestigers als J. Bernlef en K. Schippers waren sterk onder de indruk van de readymades en objets trouvés van Marcel Duchamp en Kurt Schwitters. Dat een pisbak kunst werd door de ruimte waar die in stond, inspireerde hen. De agressieve kant van dada keerde terug bij Gard Sivik-redacteuren als Hans Sleutelaar en Armando.

De tijdschriften streefden hetzelfde na, maar ieder op hun eigen manier. De Barbarber-redacteuren (veelal reclamemakers) hielden van de speelse relativering, terwijl de Gard Sivik-redacteuren (veelal werkzaam bij de Haagse Post) met diepe ernst de werkelijkheid kopieerden. Verguisd is het boek De SS'ers, waarin Sleutelaar en Armando zonder corrigerend commentaar de nog steeds trotse Waffen-SS'ers het woord geven.

Mourits baseert zijn betoog op de stelling dat de Nederlandse literatuurgeschiedenissen de Zestigerspoëzie geen zinvolle plek konden geven. Gaat het over de Zestigers, dan wordt immers steevast het verkeersbord met een rode dwarsstreep door 50 van stal gehaald: de Zestigers verzetten zich tegen Vijftig. Dat beeld bestrijdt Mourits, het is te simpel en ontslaat de literatuurkenners van een serieuze analyse. Toch geven de meeste Nederlandse literatuurgeschiedenissen in een notendop vrijwel hetzelfde weer als Mourits doet (zoals Literatuur en moderniteit in Nederland van F. Ruiter en W. Smulders). Dat maakt zijn boek tot een uitgebreide introductie op de Zestigers voor de leek, maar niet veel meer dan dat. Het is wel een heel zure illustratie van het lot van de Zestigers: oorspronkelijk was Mourits' boek een dissertatie, nu is het zo versimpeld – erg weinig bronvermeldingen en hier en daar zelfs een dateringsfout – dat de wetenschap zich zal afvragen of dit nog wetenschap is. Dat neemt niet weg dat het altijd sympathiek is om te zien dat iemand het lef heeft de dingen anders te aanschouwen – en dat ook nog in een zeer soepele stijl.

In het laatste hoofdstuk trekt Mourits de lijn verrassend door naar dichters als Mustafa Stitou en Lernert Engelberts, die alledaagse elementen in hun poëzie verwerken en evenmin streven naar eeuwigheidswaarde. Het laat de lezer achter met de vraag hoe we poëzie nog een plek moeten geven als er geen groepen meer zijn die elkaar bevechten. En dat is altijd goed om over na te denken.

Bertram Mourits: Zestig. Een nieuwe datum in de poëzie.

Podium, 198 blz. €16,75