De illusie van de winstloze groei

Welja, een afschrijving van 12,4 miljard euro voor KPN, vooral te danken aan de aankoop van E-plus in 2000. KPN is de jongste in een lange reeks: bij veel bedrijven wordt de winst weggevreten door naheffingen uit de dotcom-tijd. Het onderstreept de toenemende kloof tussen macro-economische berichten dat het conjunctuurdal over is, en berichten van bedrijven zelf waaruit het tegendeel blijkt.

Eén verklaring voor deze tegenstrijdigheid is dat er kennelijk een periode is aangebroken van `winstloze groei'. Net als begin jaren negentig werd gevreesd voor `baanloze groei'. Ditmaal herstelt de economie, maar herstellen de bedrijfswinsten zich veel minder. Kan dat? Dat ligt er aan hoe het begrip winst wordt gedefinieerd. De winst zoals beursgenoteerde ondernemingen die hebben gerapporteerd steeg in de bloeiperiode 1995-2000 wereldwijd gemiddeld met 9 procent per jaar. De bedrijfswinsten zoals gerapporteerd in de nationale rekeningen van de grootste industrielanden steeg volgens calculaties van de zakenbank Salomon Smith Barney met zo'n 5 procent per jaar.

Dat winstgat verklaart veel. Toen het nog goed ging, overdreven ondernemingen de door hen gepresenteerde winsten structureel – zie Enron als het meest pregnante voorbeeld. Beleggers namen daar genoegen mee: zolang iedereen er beter van wordt, zeurt niemand.

Daarvoor betalen bedrijven nu de rekening. De afboeking van de excessen, die nu ook door KPN wordt gedaan, vertelt in feite dat de winstgevendheid uit de goede jaren voor een deel een fata morgana was. Gevolg is dat de wereldwijd gerapporteerde winstdaling door bedrijven, met naar schatting 20 procent in 2001, ook veel groter is dan de daling van rond de tien procent die tot dusverre uit de nationale rekeningen over 2001 blijkt.

Wat zegt dat voor 2002? De kloof is nog niet helemaal gedicht. Veel grote afboekingen zijn al over 2001 genomen, maar er zit nog wel wat in de pijplijn. Het gevolg daarvan kan zijn dat ook in de eerste kwartalen van dit jaar de gerapporteerde bedrijfswinsten tegenvallen ten opzichte van wat er volgens de gangbare telling in de brede economie met de winsten gebeurt.

Voor de niet-belegger telt dat laatste: tastbare zaken als de werkgelegenheid houden verband met de daadwerkelijke winstgevendheid van bedrijven, niet met de fantasiecijfers die over de effectenbeurzen worden uitgestrooid. Voor beleggers wordt het daarentegen, meer dan ooit, zaak om bij te houden waar het optische effect bij de winstrapportages van beursgenoteerde bedrijven ophoudt en de werkelijkheid begint.