Bleekwitte oplichtingen

Er kleeft iets geheimzinnigs aan de zeventiende-eeuwse schilder Michael Sweerts. Zijn figuren treden als uit de nacht naar voren.

In welk museum, op welke beurs of bij welke kunsthandel ook: hij valt onmiddellijk op. Zoals je op onregelmatige tijden, met tussenperiodes van een jaar of meer, op een receptie of drukke verjaardag, of gewoon op straat, ineens de aanwezigheid bespeurt van een oude bekende. En dat alleen maar door een stembuiging, een typerende tred, een gebaar dat je uit een ooghoek opvangt. Wat is het waardoor een schilderij van Michael Sweerts direct opvalt en waarom wordt hij altijd omschreven als `intrigerend' en `geheimzinnig'? De titel van de bijzondere tentoonstelling die het Rijksmuseum aan hem wijdt luidt De geschilderde geheimen van Michael Sweerts. Men kan dat opvatten als een aan inflatie onderhevige term uit de wereld van de pr. Immers, ook een tentoonstelling in het Rembrandthuis heet Het mysterie van de jonge Rembrandt en morgen opent in Museum Het Catharina Gasthuis in Gouda een expositie over de voortekeningen van de beroemde kerkglazen onder de titel Het geheim van Gouda. Maar bij Sweerts is die typering meer op zijn plaats omdat zij al lang voor de uitvinding van de museale propaganda voor hem gereserveerd werd. Omstreeks 1660 werd al over zijn leven en werk opgemerkt dat het `tout extraordinaire et miraculeuse' was.

De schilder Michael Sweerts is relatief onbekend, maar zeker niet verwaarloosd. In 1907 werd over hem een eerste artikel gepubliceerd, in 1958 kreeg hij een tentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen, in 1996 verscheen een monografie over hem en vorig jaar wijdde het tijdschrift Kunstschrift een heel nummer aan Sweerts. Nu presenteert het Rijksmuseum, in samenwerking met twee Amerikaanse musea, een overzicht van schilderijen en prenten.

Een deel van de geheimzinnigheid komt voort uit Sweerts levensloop. Hij werd in 1618 geboren in Brussel als zoon van een katholieke koopman in textiel. Op zijn 28ste woonde hij in Rome en uit deze Romeinse periode dateren de vroegste bekende werken. Hij moet hier al faam hebben verworven. Rijkeluiszoontjes die op hun Grand Tour arriveerden lieten zich door hem portretteren en ook in hoge Romeinse kringen kreeg hij opdrachten. Paus Innocentius X verleende hem zelfs de titel van `ridder'. In de jaren vijftig was hij terug in Brussel waar hij een tekenacademie oprichtte en in 1660 komt hij voor in Amsterdamse archieven. Pas enkele jaren geleden kwam er nieuw licht op zijn Amsterdamse connecties. Dankzij de bestudering van de kasboeken van een van de grootste Amsterdamse handelsfirma's wist de Canadees/Nederlandse kunsthistoricus Jonathan Bikker vast te stellen dat Sweerts een Amsterdamse cultureel zeer ontwikkelde mecenas had: de familie Deutz, steenrijke magnaten, bankiers en kooplieden in textiel. Sweerts deed al in Rome voor hen omvangrijke kunstaankopen. Antieke beelden en kratten vol schilderijen verhuisden van Rome naar Amsterdam en werden opgesteld in het huis van de Deutzen aan de Herengracht. Maar de drie gebroeders Deutz kochten ook werk van Sweerts zelf en lieten zich door hem portretteren. Een van de meest onorthodoxe portretten uit de 17de eeuw in het Rijksmuseum stelt een van de jongeheren Deutz voor: een bedachtzame figuur met een bleek, lijzig gelaat, die met een geheven hand een soort wenkend gebaar maakt.

Na Amsterdam duikt Sweerts weer op in Brussel. Hierna volgt een relatief goed gedocumenteerde radicale draai in zijn leven. Michael Sweerts sluit zich aan bij een gezelschap Franse lekenbroeders dat van plan is naar China te reizen. Men vertrekt uit Marseille, zeilt naar Palestina en trekt dan naar Perzië. Ergens in het Nabije Oosten moet iets verkeerd zijn gelopen. Sweerts wordt door zijn medereizigers gewaardeerd als een groot schilder, maar ontpopte zich tegelijk tot een tegendraadse bemoeial. In Ispahan wordt hij uit het gezelschap verwijderd. Hij bereikt op eigen houtje Goa, de centrale Portugese handelsstad in India, waar hij in 1664 sterft, 46 jaar oud.

Ontluizen

Dit was een wonderlijk, onrustig leven van een man met een ascetische bezieling, begaafd (hij zou zeven talen hebben gesproken), begiftigd met een handelsgeest en al tijdens zijn leven bewonderd en beloond om zijn schilderkunstige talenten. Dat kan een deel verklaren van het intrigerende dat om zijn naam hangt, maar het werk moet de rest doen.

Op de tentoonstelling hangen dertig schilderijen van Sweerts. De vroegste werken zijn genrevoorstellingen: personages uit de lagere klassen van het volk, zoals bedelaars, een drinkende boer, en vrouwen die spinnen of kinderen ontluizen. Daarnaast heeft Sweerts ook grotere figuurstukken gemaakt, zoals voorstellingen van tekenacademies, badende mannen en een reeks grote doeken met de zeven werken van barmhartigheid. Dan zijn er de portretten en ten slotte is er een categorie die tot de meest kenmerkende behoort: portretten van kinderen, waarschijnlijk niet eens bedoeld als echte portretten in opdracht, maar als `tronies' voor de vrije markt. Het zijn kleine verstilde gezichten van een meisje of een jongetje die dromerig het beeld uitkijken. Sweerts toont zich hier een meester van de argeloosheid. Met grote delicaatheid geeft hij kleding, huid en haar weer. Dit zijn de meest compacte schilderijen van Sweerts en hierop ziet men de schilderwijze die hij ook in zijn andere onderwerpen volgde. Een donkere achtergrond, een hoofdfiguur op de voorgrond in gedempte tinten met enkele opvallende witte accenten. In het geval van de tronies zijn het behalve een kraagje of een hoofddoek vooral het oogwit en de glimlichtjes in de ogen. Nog subtielere reflecties bracht hij aan op de onderste rand van het ooglid, op lippen en bij een vrouwenfiguur op een oorbel of op sluitingen van haar keursje. Ook op zijn grotere figuurstukken zijn altijd enkele personen verlicht terwijl de anderen, opzij of achteraan in het donker gehuld blijven.

Het is die belichting waardoor je Sweerts altijd herkent. Binnen het contrast tussen de donkere achtergrond en de uitgelichte hoofdpartijen zijn er steeds die extra bleekwitte oplichtingen. Het is of de voorgestelde uit de schaduw treedt, of liever gezegd uit de nacht. Want zijn voorstellingen spelen zich binnenskamers af of 's nachts. En nooit beeldt hij een lichtbron af. Maar waardoor worden Sweerts figuren belicht als het niet de zon is? Het licht bij Sweerts is te helder om van een kaars af te komen of van een flakkerend olielampje. Het is volgens mij niets anders dan maanlicht waardoor Sweerts zijn personages laat beschijnen.

Er is nog een Sweertiaans kenmerk dat bijdraagt aan de wat onwerkelijke sfeer. Wanneer Sweerts meerdere personen afbeeldt, dan staan zij er als bevroren bij. Ook al is er actie, zoals bij worstelaars of bij zwemmers, dan is de algemene indruk toch die van stilstand. Bovendien is van interactie tussen de personages geen sprake. Ze staan daar in zichzelf besloten, in een tafereel waarvan ze de zin geheel vergeten lijken te zijn.

Ten slotte is er nog iets opvallends aan de uitvoering. De achtergronden – bijfiguren, architectuur, landschappelijke elementen – zijn doorgaans niet goed uitgewerkt. Het is daar nogal eens een rommeltje, eerder nonchalant geveeg dan secuur schilderwerk. Ook perspectivisch klopt er van alles niet. Vloeren lopen scheef, personen zijn in hun onderlinge verhoudingen verkeerd van proporties, en de overgangen van voor- naar achtergrond verlopen niet organisch.

Tekortkomingen

Zijn dit ambachtelijke tekortkomingen, of bewust aangebrachte feilen? Niemand die het antwoord weet, maar opdrachtgevers als de Deutzen stoorden zich er kennelijk niet aan.

Deels zijn deze onvolkomenheden te verklaren door Sweerts werkwijze. Hij moet regelmatig uitgegaan zijn van bestaande klassieke beelden, of althans de kopieën daarvan. Die kleedde hij – op papier – aan met eigentijdse kleding. Hij moet daar tekeningen van gemaakt hebben die hij als sjablonen in zijn compositie gebruikte. Maar de optelsom van al die afzonderlijke figuren leverde nog geen organische compositie op, geen overtuigende mise-en-scène. Dat de personen op zo'n manier geen onderling contact vertoonden is begrijpelijk. Maar ook andere schilders werkten zo en daar is wel degelijk sprake van interactie. Uit technisch onderzoek blijkt dat Sweerts snel werkte. Misschien dat hij zich concentreerde op de hoofdfiguren en er zich voor de rest van afmaakte, en de voltooiing van het bijwerk overliet aan andere schilders, of aan leerlingen.

Het moet de tijdgenoot gefrappeerd hebben hoe Sweerts twee tegengestelde richtingen in de schilderkunst wist te combineren. Zijn uitgelichte hoofdfiguren zette hij neer in een afgewogen, monumentale stijl. Maar de beheerste pose van die figuren hoorde volgens de regels der kunst eigenlijk bij waardige figuren, bij verheven voorstellingen en niet bij volkse types. Sweerts personages zijn echter mensen uit het volk, gehuld in stugge, wollen mantels en lompige broeken. Hij werkte dus op een academische wijze die haaks op de voorstelling stond. Hij liet een classicistische stijl los op alledaagse onderwerpen.

Op de tentoonstelling hangen ook de 21 zeer zeldzame prenten die van Michael Sweerts bekend zijn. Deels zijn dat kleine etsen op vierkant formaat, die bedoeld waren voor het tekenonderwijs. Een van de prentjes, die men als een titelprent kan opvatten, heeft de tekst die duidelijk vertelt dat ze bedoeld zijn ter oefening voor de jeugd, `in usum iuvenum'. Het zijn oefeningen in modellering van hoofden, in drapering en in het weergeven van licht en schaduw. Een andere serie is een reeks gemaakt naar door hem zelf geschilderde portretten. Een daarvan hangt ook op de tentoonstelling, een monumentaal portret van een schilder tegen een landschappelijke achtergrond. Mogelijk is dit een zelfportret. Het vertoont dezelfde uitdagende, superieure trekken die zelfportretten van Rembrandt en van Carel Fabritius kenmerken. Als het werkelijk een zelfportret is, dan heeft Michael Sweerts zich overtuigend als een zelfbewust vakman neergezet. Als iemand die al door een tijdgenoot geprezen werd, zowel om zijn kunst als om zijn ascetische levenswijze, als `un des plus grands peintres du monde'.

De geschilderde geheimen van Michael Sweerts (1618-1664). In het Rijksmuseum. t/m 20 mei. De catalogus (Engelstalig) kost gebonden €29,50.