Ashdown: Miloševic werd in 1998 door mij gewaarschuwd

Servische troepen voerden in 1998 systematische, gewelddadige acties uit tegen Albanese burgers in Kosovo. Die acties dienden geen militair doel. Ze waren gericht op het terroriseren en uit hun dorpen verdrijven van burgers. Dat zei Paddy Ashdown, oud-leider van de Britse liberaal-democraten, vanochtend in de rechtszaal van het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag.

Ashdown is de eerste vooraanstaande westerse politicus die getuigt tegen Slobodan Miloševic, de ex-president van Joegoslavië die door het tribunaal wordt beschuldigd van oorlogsmisdaden. In de jaren negentig was Ashdown betrokken bij pogingen van de internationale gemeenschap een eind te maken aan het conflict in Kosovo. Ashdown is kandidaat voor de opvolging van Wolfgang Petritsch als Hoge Vertegenwoordiger van de internationale gemeenschap in Bosnië.

Ashdown zei vanochtend dat hij Miloševic in september 1998, tijdens een ontmoeting in Belgrado, heeft gewaarschuwd dat de president ,,persoonlijk verantwoordelijk'' was voor het optreden van zijn troepen in Kosovo, en dat hij het risico liep te worden aangeklaagd voor oorlogsmisdaden. Miloševic ontkende volgens Ashdown dat zijn eenheden burgers aanvielen. Ashdown zei daarop dat hij net voor zijn komst naar Belgrado ,,met eigen ogen'' had gezien hoe de Servische politie en het leger zich in Kosovo gedroegen. Dorpen werden onder vuur genomen, inwoners werden verjaagd en hun huizen werden geplunderd en in brand gestoken. Ashdown: ,,Toen zei hij dat het dan wel waar zou zijn en dat die acties in dat geval waren uitgevoerd zonder dat hij er controle over had. Hij zei dat hij er alles aan zou doen om ze te stoppen en dat de daders ter verantwoording werden geroepen.''

Gisterochtend werd het getuigenverhoor afgesloten van de Amerikaanse statisticus Patrick Ball. Hij was de eerste westerse getuige-deskundige in het proces. Ball had onderzoek gedaan naar de vluchtelingenstromen van Kosovo-Albanezen in 1999 tijdens de NAVO-bombardementen. Uit zijn onderzoek bleek dat de honderdduizenden Kosovo-Albanezen vooral waren gevlucht voor het geweld van Servische troepen, en niet – zoals Miloševic zegt – als gevolg van NAVO-aanvallen of acties van het Kosovo bevrijdingsleger UÇK. Ball deed ook onderzoek naar het aantal dodelijke slachtoffers in de periode van de NAVO-bombardementen. Hij kwam uit op een aantal van zeker 4400 doden van wie de namen bekend waren. Het totaal aantal doden schatte hij op negen- tot twaalfduizend.