Zakelijk debat over migratie is nu geboden

In de reacties op de opkomst van Pim Fortuyn wordt de belangrijkste oorzaak van zijn succes genegeerd: de immigratieproblematiek. Daar moet met voorrang goed en fatsoenlijk over worden gesproken, vindt Herman Philipse.

De overwinning van Leefbaar Rotterdam bij de verkiezingen van 6 maart heeft een seismische schok veroorzaakt in het landschap van de gevestigde politieke partijen. Men zoekt naarstig naar de oorzaken van deze aardverschuiving in het stemgedrag en tracht een urgentiestrategie uit te stippelen voor de Kamerverkiezingen in mei. Maar politici en commentatoren besteden onvoldoende aandacht aan één mogelijke oorzaak die steeds opduikt in alledaagse gesprekken. Het lijkt erop dat hier een zelfcensuur werkzaam is die het politieke establishment fataal kan worden.

Welke oorzaken zijn volgens commentatoren en politici in het geding?

Mark Kranenburg wijt de overwinning van Pim Fortuyn aan electoraal onbehagen. (Zaterdags Bijvoegsel, 9 maart) Dat onbehagen, meent hij, is van alle tijden. Het blijft latent totdat zich een communicator voordoet met de gave een divers klachtenpakket op een aansprekende manier te verwoorden. Het toevallige feit dat Pim Fortuyn zich politiek manifesteert zou dus verklaren dat electoraal onbehagen juist nu aan de oppervlakte komt. Ook wijst Kranenburg, evenals Heldring (Opiniepagina, 7 maart), op de erosie van de politieke partijen, die zowel met ontideologisering als met de media te maken heeft.

Een andere analyse geeft Roel Kuiper, directeur van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie (Opiniepagina, 9 maart), in reactie op Paul Scheffers tirade over de verloren jaren van Kok (Opiniepagina, 2 maart). Volgens Kuiper is het huidige onbehagen opgekomen in de jaren zestig, toen de permissive society ontstond, die per definitie richtingloos is. De remedie is christelijke normen en waarden nieuw leven in te blazen. We moeten een respectvolle en inhoudsvolle dialoog tussen godsdienst en politiek op gang brengen. Het behoeft geen betoog dat Kuiper onder godsdienst uitsluitend het christendom verstaat. Maar hoe verklaart Kuiper dat het onbehagen juist nu in stemgedrag tot uiting komt?

Verdere verklaringen wijzen de constellatie van Paars als zondebok aan. Door de coalitie van socialisten en liberalen werd aan de kiezer de enige keuze ontnomen die politiek fundamenteel is: wil men een samenleving met nadruk op solidariteit of wil men een meer vrije en individualistische maatschappij? De onmogelijkheid van een werkelijke politieke keuze, gepaard aan enkele persistente maatschappelijke problemen, zou het succes van Fortuyn verklaren.

Het is opvallend dat geen commentator of politicus een belangrijke oorzaak van Fortuyns succes benadrukt die voor de hand ligt en telkens spontaan opduikt in alledaagse gesprekken. Ik doel op het probleemcomplex immigratie, dat allerlei vertakkingen heeft, zoals onveiligheid, volheid van Nederland en lastig overbrugbare cultuurverschillen.

Mijn hypothese is dat de gebeurtenissen van 11 september in ons onderbewustzijn een diepe angst hebben doen postvatten voor mogelijke bedreigingen van onze cultuur en veiligheid. Deze angst, die een bij velen reeds bestaande onvrede over toenemende immigratie heeft versterkt, leidt tot een poging het eigene af te schermen tegen het vreemde. Ze wekt weerzin tegen immigratie van mensen die niet bereid of in staat zijn zich aan te passen aan onze open en westerse cultuur, een cultuur die berust op onderling vertrouwen tussen individuen die niet tot dezelfde clan, familie, of godsdienst behoren. De gevestigde politieke partijen hebben afgesproken immigratie niet tot inzet van verkiezingen te maken. Juist die afspraak zorgt ervoor dat deze partijen de angstgevoelens van de kiezer niet kunnen kanaliseren, wat leidt tot proteststemmen op Fortuyn.

Als deze hypothese juist is, wat kunnen gevestigde politieke partijen doen? Allereerst moeten ze aanvaarden dat de feiten aanleiding geven een zorgvuldig partijstandpunt over immigratie te formuleren. De immigratie van buiten de Europese Unie is de afgelopen decennia hard gegaan en het aandeel in de bevolking van immigranten van buiten de EU is tussen 1960 en 2001 snel toegenomen. Voorts is er een statistische correlatie tussen immigratie en criminaliteit. Bijvoorbeeld: van alle moorden en doodslagen in 1998 werd 63 procent gepleegd door daders afkomstig van buiten Nederland, die dus sterk oververtegenwoordigd zijn. Criminologen menen dat behalve sociaal-economische positie ook culturele factoren een oorzaak zijn van gewelddadigheid. Partijen moeten dus aan de kiezers uitleggen hoeveel immigratie ze willen toestaan, uit welke landen, op welke titel, en op grond van welke selectiecriteria, zodat kiezers kunnen stemmen voor verschillende vormen van immigratiebeleid.

Het is op zichzelf respectabel dat politici terughoudend zijn met publieke uitlatingen over immigratie. Een debat over immigratie kan licht ontsporen en maatschappelijke effecten hebben die absoluut vermeden moeten worden, zoals toenemende onverdraagzaamheid jegens immigranten die hier wonen. Maar tegenover deze waarde van terughoudendheid staat een andere waarde die even belangrijk is. Dit is de democratische waarde dat maatschappelijke kwesties die bepalend zijn voor de toekomst van een land openlijk ter discussie worden gesteld in het politieke debat en tot inzet worden gemaakt van verkiezingen. Het lijdt geen twijfel dat immigratie een factor is die de toekomst van ons land diep beïnvloedt.

Door consequent de eerste waarde te stellen boven de tweede, maken politici zich schuldig aan een vorm van betutteling die een volwassen democratie niet past, in de trant van wij moreel hoogstaande politici zullen binnenskamers het immigratiebeleid uitstippelen, want jullie, kiezers, zijn niet in staat daar op een waardige en deskundige manier over te debatteren. In plaats van deze aanmatigende houding, die door het succes van Fortuyn wordt afgestraft, zouden politici er goed aan doen een voorbeeld te geven hoe een debat over immigratie goed en fatsoenlijk gevoerd kan worden, dat wil zeggen zakelijk, op grond van de feiten, en zonder te zondigen tegen normen voor een redelijke discussie. Tegenstanders beledigen (Fortuyn) of negeren (Melkert) is niet toegestaan. Als de gevestigde partijen dit debat openlijk hadden gevoerd, had Fortuyn niet zoveel raadszetels in Rotterdam verworven.

Een fundamentele regel voor een democratisch debat is dat mogelijke standpunten niet taboe worden verklaard voordat de discussie heeft plaatsgevonden, tenzij ze vallen onder bepalingen in het Wetboek van Strafrecht. Neem bijvoorbeeld het standpunt dat Nederland vol is. De feitelijke component ervan is niet te ontkennen: Nederland is het dichtst bevolkte land van Europa en we weten niet hoe we de fysieke ruimte moeten vinden om al onze beleidsplannen te realiseren. De normatieve component luidt dat onze bevolking dus niet meer moet groeien en liefst moet afnemen.

Er zijn maatregelen te bedenken die dit doel naderbij brengen, zoals beperking van de kinderbijslag tot twee kinderen per echtpaar, beperking van gezinshereniging, en beperking van immigratie. Dergelijke maatregelen hebben voor- en nadelen, die in het debat moeten worden afgewogen. Obstakels voor gezinshereniging zullen bijvoorbeeld op Fortuyn stemmende vijftigers treffen die willen trouwen met een zorgzaam Thais of Russisch meisje. Maar ik zie waarachtig niet in waarom het standpunt dat Nederland vol is bij voorbaat taboe zou zijn. We ervaren de negatieve effecten van die volte elke dag op de weg of in de trein.

Dossier Fortuyn www.nrc.nl/dossiers/Fortuyn

Herman Philipse is hoogleraar in de wijsbegeerte aan de Universiteit Leiden.