Requiem

Soms wordt hij nog wel eens midden in de nacht wakker. Hoewel hij weet dat het onmogelijk is, lijkt het toch net alsof hij haar weer hoort.

Dat zij dagenlang kon verdwijnen, daaraan was hij in al die jaren wel gewend geraakt. Hij wist immers dat zij telkens naar hem terugkeerde. Onder zijn raam trok zij dan loeiend en joelend alle registers open, en ging net zo lang door tot hij zijn bed uit strompelde en zich over de vensterbank boog.

In de diepte ontwaarde hij haar harige, donkere schim met flikkerende ogen. Jubelend klemde zij iets vast. Pas als hij riep `Goed zo, héél knap! Eet nu maar lekker op!' verstomde het gezang. In het donker begon daarna het kraken.

Glimlachend bedenkt hij dat voor wie niet kon ontkomen, het een apocalyptische ervaring moet zijn geweest om tussen warme lippen te worden doodgezongen.