Onderzoeker Aalders: ministerie van Financiën `verspeelde' deel roofgoud

Nederland heeft een flink deel van het tijdens de Tweede Wereldoorlog geroofde goud niet teruggekregen door geklungel bij het ministerie van Financiën. Dit departement verzuimde herhaaldelijk om cruciale informatie te sturen naar de internationale commissie die na de oorlog zorgde voor de teruggave van het monetaire goud.

Dit schrijft de historicus G. Aalders in zijn vandaag verschenen boek Eksters over de goudroof door de nazi's bij De Nederlandsche Bank. Dit is het laatste deel in een trilogie die de afgelopen jaren is verschenen. Aalders, werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, schreef eerder over de beroving van joden in Nederland tijdens de oorlog (Roof) en de teruggave van joodse bezittingen na de oorlog (Berooid).

,,Het ziet ernaar uit dat De Nederlandsche Bank door nalatigheid van ambtenaren van het ministerie van Financiën ruim 35.000 kg goud niet gerestitueerd heeft gekregen'', concludeert Aalders. Mede daarom vonden ambtenaren van het ministerie van Buitenlandse Zaken de pogingen van Financiën om het goud toch terug te krijgen een ,,niet altijd even elegante vertoning''.

De belangstelling voor het uit Nederland geroofde goud is halverwege de jaren negentig opgelaaid. De beschuldiging dat Zwitserse banken miljarden aan `joodse tegoeden' achterover hebben gedrukt wekte ook interesse voor het monetaire goud dat door de nazi's in Europa is geroofd en grotendeels in Zwitserland is terechtgekomen. De commissie-Van Kemenade, ingesteld om te kijken of de internationale onderzoeken ook Nederland iets zouden opleveren, concludeerde in 2000 dat Nederland niets meer te verwachten had.

Toen de Duitsers in mei 1940 Nederland binnenvielen lag in de kluizen van De Nederlandsche Bank ongeveer 192.000 kilo goud. Een deel kon in veiligheid worden gebracht met twee schepen die van IJmuiden naar Engeland voeren, maar mede door het zinken van een ander schip bij Rotterdam kregen de nazi's zo'n 146.000 kilo in handen. Het goud dat de nazi's gebruikten om grondstoffen te kopen voor hun oorlogsindustrie, kwam in verscheidene neutrale landen in Europa terecht. Het meeste in Zwitserland, de financiële draaischijf van nazi-Duitsland, waar 122.000 kilo goud uit Nederland de kluizen inging.

Na de oorlog weigerde Zwitserland, ondanks aandringen van de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk, hardnekkig het goud terug te geven, met als argument dat het te goeder trouw was aangekocht. Uiteindelijk stortte Zwitserland in 1946 52.000 kilo goud in een pot, waaruit alle beroofde landen betaald zouden worden. De storting was geen erkenning van schuld, maar een `bijdrage aan de wederopbouw van Europa'. In ruil daarvoor zou Zwitserland voorgoed gevrijwaard blijven van claims.

De verdeling van de goudpot, die werd vastgesteld naar rato van de hoeveelheid goud die in een land was geroofd, was in handen van de Tripartite Gold Commission (TGC). Van de 146.000 kilo geroofd goud erkende de TGC maar iets meer dan 110.000 kilo als zogeheten `monetair goud' – dat fungeert als tegenwaarde voor het geld in omloop – waarvoor de goudpool was bedoeld. De overige 35.000 kilo was afkomstig van particulieren — joodse en niet-joodse burgers — die onder Duitse dwang hun goud hadden moeten inleveren bij De Nederlandsche Bank. In de visie van de TGC was dit geen monetair goud.

Nederland betoogde dat het goud van particulieren wel degelijk bedoeld was geweest voor de stabilisering van het monetaire verkeer. Daarvoor had de Nederlandse regering op de eerste oorlogsdag, 10 mei 1940, zelfs een deviezenverordening uitgevaardigd. Tot twee keer toe verzuimde Financiën deze deviezenverordening te sturen naar de TGC. De TGC concludeerde mede daardoor, meent Aalders, dat De Nederlandsche Bank bij het innen van het particuliere goud alleen maar was opgetreden als `agent' van rijkscommissaris Seyss-Inquart.