Kost en Inwoning

Hoe kan iemand een Hare Krishna zijn, in zo'n oranje jurk, en tegelijk een van de meest komische dichters uit onze literatuur? Ziedaar het raadsel Hendrik van Teylingen.

Je kunt die kale kabouters in hun soepjurken op zich natuurlijk al dolkomisch vinden, zodat alles wat ze doen een komisch tintje krijgt. Maar de gedichten van Hendrik van Teylingen liggen niet in het verlengde van zijn Hare Krishna-geloof, ze contrasteren ermee. En ze contrasteren er ook weer niet mee, wat zeker bijdraagt tot de spanning. Zijn gedichten etaleren en verkondigen geen geloof, maar zijn geloof zit wel in de humus van zijn poëzie. Hij weet zijn naïveteit en kinderlijkheid te handhaven tegenover de grote symbolen en de stellige ideeën, die in elk geval voor de poëzie vaak te groot en te stellig zijn. Hij weet klaar en nuchter om zich heen te kijken, zo zeker is hij van zijn innerlijk oog. Hij is realistisch genoeg om aandacht te hebben voor het absurde en onthecht genoeg om ook onwillekeurig komisch te kunnen zijn.

Het stroomt bij hem, zegt hij, uit de tuit. Hij weet niet precies hoe het dichten in zijn werk gaat. `De tuit is dienstbaar aan de pot.'

En zijn enige conclusie luidt: `Schenken dus'.

De dichter als tuit. Van Teylingen heeft flink geschonken toen hij halverwege de jaren negentig weer als dichter opdook, na ruim twintig jaar geen bundel te hebben gepubliceerd.

Er zijn eigenlijk maar twee dichters met wie je Hendrik van Teylingen zou kunnen vergelijken. De eerste is J.A. Dèr Mouw, al zal het nog wel even duren voor Van Teylingens oosterse naam, Hayesvara Dasa, net zo'n begrip wordt als Adwaita, de dichtersnaam van Dèr Mouw. Wat beiden gemeen hebben is hun taalprecisie, het verbazende raffinement van hun eenvoud – alsof de moeilijkste dingen moeiteloos uit hun vingers rollen en hun vermogen om van hun volstrekte onaanpasbaarheid een deugd te maken.

Je krijgt ze onmiddellijk lief, deze twee polderhindoes, omdat hun excentriciteit altijd ontwapenend werkt en omdat ze vóór alles dichter blijven. De meeste religieuze dichters overlijden op weg naar de poëzie aan hun godsdienst, voor Dèr Mouw en Van Teylingen is de mystiek juist een vitaliserende kracht. Een kracht die hun onafhankelijkheid verstrekt. Ze zijn bang voor God noch gebod.

De andere dichter aan wie Hendrik van Teylingen, met zijn combinatie van heilige ernst en burleske, me soms doet denken is de nonsensdichter Christian Morgenstern, ook al zo'n spirituele hengelaar.

Ze zoeken het heilige in het onooglijke, het hogere in het dagelijkse, de wereld in een korrel zand en de hemel in een goudvis. Dat maakt hun poëzie aards en tegelijk oneindig, of je een engel hoort in kamerjas

't Is me bekend dat het poëem

Waar menig dichter steeds van droomt

Dat ieder uitgelezen vers

In elke taal van het heelal

Beschamend overbodig maakt

Ritselt in elke pagina

Zowel van De Exloër Klaroen

Als van De Stem van Nijverdal.

We staan alleen voor het probleem

Hoe uit hun lettergekrioel

Precies de tekst te puren die

De poëzie voleinden zal.

Aldus Hendrik van Teylingen. Je krijgt de indruk ik weet niet waardoor het is dat het universele gedicht er op deze laconieke en microscopische manier eerder zal komen dan door halleluja's en de blik naar boven.

Voor het woord Gods hoef je niet verder dan De Stem van Nijverdal.

Na zijn dood in 1998 lijkt de dichter Van Teylingen snel in de vergetelheid te zijn geraakt. Daar moeten we iets aan doen. Al zouden we opgelucht zijn oranje jurken en zijn vide-vade-vedische New Age-gedoe weggooien, we mogen zijn gedichten niet meegooien. Het duurt misschien opnieuw een eeuw voor de combinatie van oosterse mystiek en onuitroeibare rondborstigheid een dichter oplevert als hij.

Kastanjes! lijkt met zijn tweemaal twee rijmklanken bijna het product uit een professionele rijmfabriek. Toch klinkt het volstrekt naturel. Het heeft zelfs iets ontroerends door de volgehouden kindertaal waarmee de dichter de vierjarige Wim toespreekt. Boem! Buikje. Veels te groot. Rettettet. Rondgewoven.

Maar de dichter spreekt twee kleuters toe die al een halve eeuw dood zijn. De dichter veronderstelt dat ze nu samen wel eens even naar buiten zouden willen komen.

Kastanjes, kerels!

Het `kerels!' getuigt van een optimistische hopeloosheid, je krijgt er een brok in de keel van. Het maakt

die doffe ploffen

Zo'n zes voet boven jullie bol

tot grote, gestolde tranen die langzaam neerdalen op de aarde, precies op de plek waar de beide onuitgebotte kereltjes liggen.