Gods eigen buiksprekers

Als tijdens deze Boekenweek alle vogels een nestje bouwen, dan zeker ook de zwaan.

De Griekse mythologie wil dat Apollo, God van de muziek en dichtkunst, na zijn dood in een zwaan veranderde. Daaraan danken veel dichters een bijnaam: van de Zwaan van Meander (Homerus, die aan de rivier de Meander woonde) tot de Sweet Swan of Avon (William Shakespeare, afkomstig uit Stratford-upon-Avon). Joost van den Vondel was de Agrippijnse Zwaan, geboren als hij werd in Colonia Agrippina (Keulen).

Aangezien de berg Olympus de zetel van de Griekse goden is (en dus ook van Apollo), komt ook dát beeld in bewonderingvolle vergelijkingen voor.

Vestdijk noemde Goethe de Olympiër van Weimar. Vestdijk zelf, de kluizenaar van Doorn, werd op zijn beurt van verscheidene namen voorzien, bijvoorbeeld door Ter Braak, die hem om zijn enorme en veelzijdige productie de Duivelskunstenaar noemde. (Ter Braak en Vestdijk maakten destijds deel uit van de redactie van het literaire tijdschrift De Gids, dat vanwege zijn blauwe omslag en zeer kritische opstelling de Blauwe Beul genoemd werd.)

Hofleverancier van bijnamen was Adriaan Roland Holst. Die schonk Vestdijk er drie in een gedicht van vier regels, een van de kwatrijnen die de heren elkaar bij toerbeurt stuurden en die in 1950 gebundeld werden in Swordplay, wordplay. Kwatrijnen overweer:

Wat mag het raadsel van uw arbeid wezen?

Muur van de geest, waar die van de Chinezen

te kort bij schiet. – O, Tegenpool van Bloem!

O, Gij, die sneller schrijft dan God kan lezen!

Daarvan heeft alleen de laatste regel zich als zelfstandig beeld gehandhaafd, al was dat de tweede typering, verwijzend naar de beperkte productiviteit van de dichter J.C. Bloem, evenzeer gegund geweest.

Ook de brave C.S. Adama van Schelte-

ma, schepper van de klassieke regel `Het regent, – o wat regent het!', werd door Roland Holst – zelf ook niet zuinig met uitroeptekens – in vier regels van drie karakteriseringen voorzien:

O, Gij, Heraut der Oppervlakkigheid

Rumoerge slaaf der Populariteit!

Een lege regel met een uitroepteken

Zijt gij – geen Dichter die U dit benijdt.

Roland Holst zelf deelt met Vondel de eretitel Prins der Dichters. Hoger nog staat Lucebert, die als de Keizer der Vijftigers te boek stond. Maar toen hij die titel gestand wilde doen en in maart 1954, omringd door mede-Vijftigers en getooid met een hermelijnen mantel en een keizerskroon, bij het Stedelijk Museum verscheen om de hem toegekende Poëzieprijs van de stad Amsterdam in ontvangst te nemen, werd hem wegens gebrek aan respect de toegang tot de prijsuitreiking geweigerd.

De raakste typeringen ontstaan vaak in verzen aan of over een collega-dichter en krijgen daardoor nooit een wijder bereik, laat staan eeuwigheidswaarde. Toch was dat niet onverdiend geweest voor bijvoorbeeld Gunsteling der goden (A. Marja over Vestdijk), Nestor der Bataafse Dichters (Willem Wilmink over Hendrik de Vries) of Gods eigen buikspreker (Driek van Wissen en Jean Pierre Rawie over Huub Oosterhuis).

De mooiste bijnaam voor een dichter kreeg Paul van Ostaijen; die heette als kind Zot Polleken, maar werd op de middelbare school, omdat hij boven Gezelle en Van de Woestijne de voorkeur gaf aan Rilke en Verlaine, spottend de Poëet genoemd.