Europa is beter af zonder nationale staten

Als extra overheidslaag komt de Europese Unie hinderlijk en bureaucratisch over. Maar als ze in de plaats zou komen van de nationale regeringen, ontstaat er een ander beeld. Wat eerst een last was, wordt dan vederlicht, meent Andrzej Rapaczynski.

Nu de Europese Constitutionele Conventie bijeen is om te spreken over de bijzonderheden van de toekomstige instellingen van de Europese Unie, is het ogenblik daar om het ondenkbare te denken: waar gaat Europa naartoe? Of misschien in elk geval stil te staan bij een heel andere vraag: wat is voor de EU een redelijke weg om in te slaan?

Na de val van het communisme verscheen er in Europa een aantal kleine staten. Estland, Letland en Litouwen kwamen onder hun Sovjet-bezetting vandaan. Tsjechoslowakije spitste zich in twee afzonderlijke staten. Joegoslavië maakte plaats voor Slovenië, Kroatië, Bosnië, Servië, Macedonië; misschien levert het binnenkort ook nog wel Kosovo en Montenegro op. Weliswaar herstelden de Baltische republieken alleen maar hun onafhankelijkheid van voor de Tweede Wereldoorlog en was de opdeling van Joegoslavië net zo'n bloedige affaire als menige andere onafhankelijkheidsoorlog, maar het had allemaal ook iets geheel nieuws.

In de jaren tussen de wereldoorlogen werden de Baltische staten vaak gezien als onpraktische, kunstmatige scheppingen van de grote mogendheden. Tsjechoslowakije en Joegoslavië kwamen tot stand omdat hun onderdelen niet als levensvatbare onafhankelijke staten werden beschouwd. Hoe kwam dat? Doordat kleine staten, toen Wilson, Clemenceau en Lloyd George tachtig jaar geleden een nieuwe kaart van Europa tekenden, in tijd van oorlog noch vrede functioneel waren. Om levensvatbaar te zijn moest een land groot genoeg zijn om zichzelf te verdedigen en om een betrekkelijk onafhankelijke economische markt te vormen.

Inmiddels is dat allemaal niet meer zo. In het vooruitzicht van toetreding tot de Europese Unie zijn de nationale markten minder van belang. Door hun lidmaatschap van EU en NAVO is een oorlog tussen Europese lidstaten ondenkbaar, terwijl een aanval op het kleinste NAVO-lid al tot een reactie van alle NAVO-leden zou leiden. Bij gebrek aan zulke externe dreigingen zijn de banden tussen bijvoorbeeld de Tsjechen en Slowaken (om maar te zwijgen van de Serviërs en Kroaten) te zwak om een gemeenschappelijk nationaal regeringsniveau te rechtvaardigen.

Leert dit ons iets over de toekomst van Europa als geheel? Het verschil tussen Tsjechoslowakije en Italië of Duitsland is vooral een kwestie van vijftig jaar. Italië was tot de jaren zestig van de negentiende eeuw toch ook maar een verzameling koninkrijkjes en vorstendommen? De eenwording van Duitsland was toch ook een kwestie van `bloed en ijzer'?

Frankrijk en Spanje zijn ouder, maar het huwelijk van Basken, Catalanen en Corsicanen met hun respectieve nationale staten is toch ook niet zoveel gelukkiger dan het gewezen Tsjechoslowaakse huwelijk? Is er echt zoveel reden voor Schotten en Welshmen om tot dezelfde nationale staat als de Engelsen te behoren?

Vergeet even het idee van een Franse of Duitse of Italiaanse identiteit, patriottisme, de gedeelde herinnering aan oorlog en bloedvergieten die het bewustzijn van de hedendaagse taalgemeenschappen heeft gevormd en bedenk dit: waarom hebben de Europeanen een regeringsniveau nodig tussen het gezamenlijke Europese raamwerk en hun lokale instellingen? Waarom hebben mensen in Piëmont, Beieren of Schotland een tussenlaag van nationale ambtenaren nodig ten behoeve van hun belastingbeleid, sociale voorzieningen, veiligheidswetgeving en grotendeels nutteloze overlappende legers? Zou het leven niet eenvoudiger zijn als er een gemeenschappelijk Europees niveau zou zijn voor markt, munt, buitenlands beleid, leger en nog wat andere dingen, en de rest werd overgelaten aan zinvoller lokale eenheden?

Het is in de mode om de spot te drijven met de ambtelijke details van de Europese regelgeving. Maar de Europese regelgeving is nog niets vergeleken bij de bergen nationale wetten en decreten, de miljarden die worden verspild aan vriendjespolitiek en de reusachtige staatsapparaten die wel 30 à 40 procent van het economische product van de Europese nationale staten opsouperen.

De vorming van een Europese federale regering en het schrappen van de nationale tussenlagen zou waarschijnlijk zelfs leiden tot de grootste liberalisering van de economie (en de maatschappij als geheel) uit de hele Europese geschiedenis. Kijk naar Amerika in 1787: de vorming van de federale regering maakte in één klap een einde aan het gebalkaniseerde systeem van pre-revolutionaire koloniën en leidde tot een tijdperk van economische expansie over het hele Amerikaanse continent.

Het is eenvoudig een feit dat Europa als geheel te zeer uiteenlopend is om in de greep te raken van de economische en politieke belangengroepen die op het ogenblik de nationale staten overheersen. Alleen als extra overheidslaag komt de EU hinderlijk en bureaucratisch over. Als ze in de plaats zou komen van de nationale regeringen, dan zou de last, in vergelijking tot alles wat er op dit moment bestaat, vederlicht zijn.

Sommige landen verstoren ook het constitutionele evenwicht in Europa. Duitsland en Italië zijn gewoon te groot, vergeleken bij Portugal of België (dat zelf weer een vrij dubieuze mengeling van Vlamingen en Walen is), en dit leidt tot het soort wanverhouding die doet denken aan de overheersing van Pruisen in het oude rijk van Bismarck.

Zouden de huidige nationale identiteiten door een federaal Europa kunnen worden vervangen? Zouden Fransen en Engelsen zich geestelijk net zo thuis kunnen voelen in `Europa' als in hun nationale staten? Nee, maar moet dat dan? Als de Europeanen aan toekomstige instellingen denken, wordt er altijd een spanning gezien tussen de nationale verschillen en de gemeenschappelijke Europese identiteit. Maar als de gemeenschappelijke Europese instellingen nu eens niet worden gezien door het prisma van de nationale instellingen? Als de ontwikkeling van het Europees bewustzijn nu eens niet verloopt door een opwaartse overdracht van gebondenheid aan supranationale instellingen, maar door een decentralisatie van loyaliteiten en een herleving van kleinere, zinvoller gemeenschappen?

Natuurlijk is het einde van de nationale staten niet nabij, maar dat komt niet doordat ze zo diep geworteld zijn in het bewustzijn van hun burgers. Nationale identiteiten zijn veelal zelfs verarmende abstracties, clichés, zoals ras, klasse en andere ideologische verzinsels. Bedenk eens hoeveel meer waarachtige verscheidenheid er in een verenigd Europa zou zijn als de nationale staten niet in de weg zaten.

Maar de Europese nationale staten zullen voorlopig nog niet verdwijnen omdat het machtscentra zijn. Veertig procent van elke euro bruto nationaal product is tenslotte een hele buit. Maar als de Europeanen inzien welke kant het met hen op moet, dan zullen de nationale identiteiten die de laatste paar honderd jaar zijn gesmeed (want veel ouder zijn ze niet) mettertijd misschien een soort aanhangsel worden – een deel van het menselijk lichaam dat weinig meer veroorzaakt dan nu en dan eens een ontsteking.

Andrzej Rapaczynski is van Poolse afkomst en doceert Amerikaans staatsrecht aan de Columbia-universiteit in New York.

©Project Syndicate