Verdeeld Europa neemt wereld niet serieus

Nu Europa in ruw vaarwater terecht is gekomen, moet Nederland de band met de Verenigde Staten koesteren. Er staat te veel op het spel, vindt Arend Jan Boekestijn.

Europa doet er niet toe. Het is vooral deze wetenschap die de Europese commentaren op de Amerikaanse War on Terror kleurt. Jaloezie en neerslachtigheid hebben zich meester gemaakt van de Europese hoofdsteden. Dat is een gevaarlijke combinatie waar meestal weinig goeds uit voortkomt. En bovendien ondermijnt het de strijd tegen het terrorisme.

Het huidige klimaat heeft wel wat weg van de periode na de Eerste Wereldoorlog, toen de ene intellectueel na de andere het machtsverval van het continent probeerde te duiden. Dat leverde een aantal kassuccessen op. De werken van bijvoorbeeld Oswald Spengler en Ortega y Gasset werden vertaald en vele malen herdrukt. Zij hadden niet alleen succes maar ook gelijk. Hitler zorgde ervoor dat Europa inderdaad als wereldmacht ten onder ging.

Uiteindelijk werd Europa gered door de Russen en de Amerikanen, die Hitler wisten te verslaan. In de daarop volgende Koude Oorlog speelde Europa natuurlijk de tweede viool. Dat was even slikken. Maar niet alles was negatief. De Amerikanen boden bescherming en steunden ruimhartig de Europese integratie, een project waarvan iedereen wist dat het op den duur de economische belangen van Washington zou schaden. Amerika was een welwillende grote mogendheid.

Toen de Sovjet-Unie instortte, leek het er even op dat het verenigde Europa de kans zou krijgen zijn machtspositie te verbeteren. Maar op het moment dat de Balkan vlam vatte, bleek dat Europa nog net zo verdeeld was als altijd. Amerika moest er aan te pas komen om daadwerkelijk actie te ondernemen. Dat die actie verkeerd uitpakte doet er niet toe. Voor het oog van de wereld werden de buitenlands-politieke pretenties van Europa doorgeprikt. Terwijl de malaise in Europa voortduurde, werd in Amerika de zwakke Clinton vervangen door de slagvaardige Bush.

In de War on Terror nam het Europese machtsverval dramatische vormen aan. Alle Europese regeringsleiders, met uitzondering van Blair, bekritiseerden de Amerikaanse voortvarende aanpak. De Atlantische solidariteit van Europa was niet ruim bemeten en datzelfde gold voor de defensie-inspanningen. Amerika had eigenlijk weinig reden om lang stil te staan bij de Europese bezwaren. Door de Russische steun aan de oorlog tegen het terrorisme werd Moskou zelfs een belangrijker bondgenoot dan Europa. Net als in de Koude Oorlog werd de wereld bepaald door Washington en Moskou. Tijdens de Koude Oorlog zat West-Europa stevig in het Amerikaanse kamp. Maar nu nam Amerika afstand van Europa.

Het politieke discours in Europa is hierdoor welhaast irrelevant geworden. Amerika luistert toch niet dus waarom zouden wij nog de nuance zoeken?, zo wordt geredeneerd. Indien wij er toch niet toe doen, kunnen wij altijd nog onze eigen publieke opinie bedienen, die in veel Europese landen maar een handvol bommen verdraagt. De recente onthullingen over de Amerikaanse contingency planning inzake kernaanvallen op Irak, Iran, Syrië, Libië, China, Rusland en Noord-Korea wekt hier alleen maar afschuw op. Dat het hier slechts om noodscenarios gaat indien bijvoorbeeld Saddam Israël aanvalt wordt hier niet geregistreerd. Dat Amerika bezig is conventionele alternatieven aan te dragen voor nucleaire bommen is ook oninteressant. Dat de beslissing om nucleaire cave crackers te bouwen nog lang niet genomen, is wordt ook onder de tafel gemoffeld. En de vraag hoe men Saddam Hussein uit het zadel kan wippen zonder wapengekletter wordt in Europa al helemaal niet gesteld.

Dat Europa er niet toe doet, heeft dus ook te maken met de Europeanen zelf. Natuurlijk, Europa verzamelt braaf inlichtingen over het moslimextremisme in de eigen regio, legt financiële sancties op, maar het vuile werk wordt graag overgelaten aan Washington en Londen. De politiek van de lidstaten van de Europese Unie, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, zorgt er ook voor dat dit zo zal blijven. De defensie-inspanningen van de EU-landen zijn minimaal. De plannen voor een Europees leger zijn een lachertje. Terwijl Saddam Hussein binnenkort met zijn raketten Europa kan raken, richt Europa liever zijn kritiek op Amerika.

De Europese kritiek op de Amerikaanse bestrijding van het terrorisme is ongegrond, maar zou er meer toe doen indien het `Europese Huis' op orde zou zijn. Dat is echter geenszins het geval. De Europese regeringsleiders spelen het liefst va-banque. Iedereen weet dat Europa nu niet direct het gevaar loopt één staat te worden, maar de Europese regeringsleiders hebben er geen bezwaar tegen dat een verzameling federalistische mastodonten een jaar lang de tijd krijgen om een voorstel voor een Europese constitutie te doen. Een statelijk attribuut als een grondwet wordt daarmee geprojecteerd op de EU, die slechts een internationale organisatie is. Over een jaar wordt dit voorstel natuurlijk verworpen door de Europese Raad. Wat een grootse politiek!

De EU-top die morgen in Barcelona begint, onderstreept de Europese malaise. Twee jaar geleden vond de beruchte Europese `dotcom-top' plaats in Lissabon. In een poging om de economische dynamiek van Europa te verhogen besloot men om de telecommunicatiemarkt, het transport, de posterijen en de energiemarkten bloot te stellen aan concurrentie. Parijs blokkeerde de totstandkoming van een Europese energiemarkt. Een snelle deregulering van de posterijen zit er niet in. Een Europese markt voor financiële diensten lijkt nog ver weg. De Europese arbeidsmarkt is nog steeds niet geflexibiliseerd. Alleen de telecommarkt is geliberaliseerd.

Dit is een magere uitkomst. De Nederlandse regering heeft altijd hoog opgegeven over de methode van beleidsvergelijking en beleidsconcurrentie als onderbouwing van de Economische en Monetaire Unie. En nu blijkt dat er nauwelijks vooruitgang is geboekt! En dat terwijl wij nu een zwakke munt, een hoge inflatie, een lage groei en rente hebben.

Nog erger is het met de uitbreiding gesteld. Binnenkort zal duidelijk worden dat Frankrijk en Spanje inderdaad de uitbreiding zullen blokkeren indien hun aandeel in de vleespotten van Egypte kleiner zal worden. Parijs heeft namelijk niets meer te verliezen. Sinds de Duitse eenwording is de omvang van de Franse bevolking en het Franse bnp slechts tweederde van de Duitse. Het Franse kernwapen heeft door het einde van de Koude Oorlog aan waarde ingeboet. En de uitbreiding naar het oosten, met landen die in de Duitse invloedssfeer liggen, zal de machtspositie van Berlijn alleen maar versterken. En nu de NAVO reeds in 1999 is uitgebreid met Polen, Tsjechië en Hongarije en er in november van dit jaar nieuwe kandidaten toetreden, kan Parijs zich een harde lijn veroorloven ten aanzien van de economische uitbreiding.

Het heeft er alle schijn van dat de komende jaren zich zullen kenmerken door onenigheid en stagnatie. De positie van de Nederlandse regering is wel heel sneu. Net nu er de laatste jaren een interessante Brits-Duitse as aan het ontstaan is, die voor een belangrijk deel strookt met de Nederlandse belangen – hervorming van het landbouwbeleid, de regionale steun en een snelle uitbreiding – gooit Parijs roet in het eten.

Nu Europa in zo'n ruw vaarwater dreigt te komen, is er minder reden dan ooit dat Nederland zich los zou moeten zingen van Washington. Er staat veel op het spel. Alleen als de NAVO een betekenisvolle rol kan gaan spelen in de oorlog tegen het terrorisme, heeft deze veiligheidsorganisatie kans te overleven. En laten wij niet vergeten dat de Nederlandse positie in Europa direct wordt bepaald door zijn positie binnen de NAVO.

Arend Jan Boekestijn is historicus en verbonden aan de Universiteit Utrecht.