Faillissement ex-wonderkinderen

Alle kinderen Tenenbaum hebben een set van meer bijpassende koffers dan je met twee handen kunt dragen. Verder is er niets perfects aan hun levens. Verveelde levens die ergens na hun jonge jaren als wonderkinderen in een apathisch vacuüm zijn blijven hangen. Daar kan zelfs de rampspoed die regisseur Wes Anderson (Rushmore) en acteur/coscenarist Owen Wilson in hun derde samenwerking voor hen bedacht hebben, ze niet meer raken. Het is hilarisch wat er allemaal mis kon gaan in hun bestaan, nadat hun opgewekte sjacheraar van een vader (Gene Hackman) het bestieren van hun agenda's vol sporttrainingen, literatuurlezingen en natuurkundepractica verder aan hun elegant-gedecideerde moeder (Anjelica Huston) overliet.

Het is een mild-bittere komedie, dus The Royal Tenenbaums (al vanaf zijn door Alec Baldwin ingesproken openingsproloog heerlijk Orson Welles' The Magnificent Ambersons echoënd) presenteert met hetzelfde traag-stalen gezicht: incest, depressies, racisme, zelfmoord, verslaving, misdaad, overspel. Het zijn allemaal keurige tragische motieven, in opgewekt opgeruimde hokjes. Anderson heeft zijn film in de opgewekte tinten van de jaren zeventig getoonzet, begeleid door weemoedige popmuziek van een decennium eerder (met als Leitmotiv Nico's bijna atonale versie van These Days), en keurig symmetrisch gekaderd, waardoor de toeschouwer een kijkdoosje vol gezinsgeluk uit de jaren vijftig inspiekt. Vaak letterlijk, want Anderson houdt ervan om het filmdoek te vullen met schilderijlijstjes van vensters waarachter zich het bevroren familiegeluk aftekent.

Het is nu, het zijn de dertigers van onze generatie, maar ergens zijn hun levens door opvoeding, verwachtingen, verwaterde aristocratie al vanaf het begin af aan tot nostalgie gedoemd, het soort abstracte nostalgie die mensen isoleert van tijd en ruimte. Anderson durft ook weer slow-motion te gebruiken. Een verrukkelijke cast van een intens treurige Gwyneth Paltrow, Ben Stiller (geflankeerd door twee kinderkloontjes in identiek Adidasrood trainingspak) en Luke Wilson als de Tenenbaum-kinderen die het vruchteloze gezinsgeluk verbeelden, is verder aangevuld met medeschrijver Owen Wilson als buurjongen Eli Cash, een eenzame cowboy die geamputeerde gevoelens koestert voor Paltrow en haar door zijn eigen broer gespeelde broer. Bill Murray (ook al te zien in Rushmore) treedt onweerstaanbaar flauw op als neuroloog Oliver Sacks.

Het dramatische startschot wordt gegeven als vader Royal ontdekt dat zijn vrouw wil hertrouwen met hun financiële adviseur Danny Glover en besluit dat te voorkomen door de familie weer bij elkaar te brengen.

Opgebouwd in de hoofdstukindeling van een fictieve boekverfilming wordt vervolgens met sardonisch plezier de mythe van het gezinsgeluk onttakeld en weer opgebouwd. De verdoving van de personages wordt goed voelbaar in het tempo van de film, jazzy en loom, terwijl de ogen van de toeschouwer op topsnelheid moeten registreren om alle visuele grapjes te volgen.

Zelfs het kleinste stofvlokje is door production designer David Wasco neergelegd en de film telt een ongewoon groot aantal scènes.

The Royal Tenenbaums gaat uiteindelijk minder over familieverhoudingen dan over de existentiële leegte, neuroses en verveling van deze in pasteltinten gefilmde Addams-family. Anderson en Wilson hebben een op het eerste gezicht onmogelijke mengvorm gevonden tussen de tragisch-absurde wereld van de Coen-broers (van wie nu The Man Who Wasn't There in de bioscopen draait) en de banale opgefoktheid van de Farrelly's (There's Something About Mary). De tijd zal het gelijk van de diepbedroefde gezichten in hun familiealbum bewijzen.

The Royal Tenenbaums. Regie: Wes Anderson. Met: Ben Stiller, Gene Hackman, Bill Murray, Anjelica Huston, Owen Wilson, Gwyneth Paltrow, Luke Wilson, Danny Glover, Seymour Cassel. In 15 bioscopen.

    • Dana Linssen