De droevige puinhoop van niet-regeren

Hieronder volgen delen uit het eerste hoofdstuk van het gisteren verschenen boek `De puinhopen van acht jaar Paars' van Pim Fortuyn.

Voor het publieke domein en de collectieve sector [...] (bestaat er) geen corrigerend marktmechanisme dat de producenten van goederen en diensten dwingt om met de consument-eindgebruiker rekening te houden, laat staan dat de producenten hem toestaan interactief te interveniëren in het design van het productieproces van goederen en diensten. Het is niet de consument-eindgebruiker die bepaalt welke producten hem worden aangeboden, het is de producent die dat in zijn alwetendheid bepaalt. De enige correctiefactor op de macht van de producenten is de politiek.

De politiek nu laat het volledig afweten. Het gevolg is dat het publieke domein en de collectieve sector volledig door het aanbod en dus de aanbieders worden bepaald. Aan de consument-burger wordt slechts lippendienst bewezen. Van democratie is geen sprake, of men zou het eens in de vier jaar een hokje rood maken democratie moeten noemen. In Nederland is die geringe democratie nog verder uitgehold doordat de macht over de inrichting van het publieke domein en de collectieve sector wordt gedeeld met het maatschappelijk middenveld, een geheel van organisaties dat optreedt als zaakwaarnemer van de burger-consument. Met het democratisch gehalte van deze zaakwaarnemers is van alles mis. Zij worden niet gekozen, maar benoemd via coöptatie. Ook hun representativiteit staat al gedurende enige decennia onder grote druk. Het land is sedert de jaren zestig van de vorige eeuw in hoog tempo ontzuild, maar het verzuilde middenveld doet nog steeds alsof dat niet zo is en vertegenwoordigt ons zonder zich daadwerkelijk om ons te bekommeren. De professionalisering van de verzuilde organisaties heeft de afstand tot degenen die zij zeggen te vertegenwoordigen alleen maar vergroot.

Een nieuw maatschappelijk middenveld heeft zich inmiddels naast de organisaties en instituties van de verzuiling kunnen nestelen. In internationaal perspectief worden zij NGO's (non governmental organizations) genoemd, met name op de terreinen van milieu, natuur en ontwikkelingshulp. Organisaties dikwijls met leden, maar dan wel leden die over beleid en standpunten van de NGO's en de samenstelling van het bestuur werkelijk helemaal niets te zeggen hebben.

Overheden onderhandelen ondertussen graag met hen en sluiten het ene na het andere convenant met hen af. Over bijvoorbeeld de Tweede Maasvlakte en de uitbreiding van Schiphol wordt met hen onderhandeld. In mijn naïviteit dacht ik dat gemeenteraden voor zoiets zijn geëquipeerd en ingesteld, zoals dat voor nationale kwesties het parlement is. NGO's dienen daar te lobbyen en niet bij onze bestuurders, die vervolgens deze voorgekookte beslissingen door de strot van gemeenteraad en of parlement wringen onder het motto: Take it or leave it. Op dezelfde manier als waarop de besluiten op EU-niveau de Kamer worden opgedrongen, het is slikken of stikken. Van enige serieuze gedachtewisseling, waarin ook alternatieven aan de orde komen, kan geen sprake zijn. De NGO's tenslotte, zouden ons, de burgers, representeren! Zieker en hypocrieter kan het niet.

Het publieke domein en de collectieve sector worden in belangrijke mate geregeerd door, ambtelijke en semi-ambtelijke, professionals. Het is verworden tot een meritocratie, waar de democratie ver te zoeken is. Doordat we leven in een klein land en de meritocratische elite zichzelf vernieuwt en aanvult door coöptatie, zelfs in politieke partijen, is er sprake van een sfeer van incest. Wie niet beantwoordt aan de door hen bepaalde codes en gedragsregels telt niet mee. Of, zoals men in de politiek zo graag zegt: plaatst zich buiten de orde. [...]

Alle posities in de collectieve sector van enig gewicht worden zorgvuldig verdeeld over lidmaten van de meritocratische bestuurlijke en politieke elite, waarbij de partijachtergrond nauwlettend in het oog wordt gehouden; dat geldt tot aan de voormalige Ziekenfondsraad aan toe. Wie geen lid is van een politieke partij, liefst van een van de grote drie (PVDA, VVD en CDA), komt niet in aanmerking voor de vervulling van een bestuurlijke positie van enig gewicht in het publieke domein en de collectieve sector. [...]Daardoor ruim baan voor technocraten, meritocraten en meer in het algemeen voor hen die het spel der elitedemocratie behendig weten te spelen. Een elitedemocratie die zich slechts zeer ten dele afspeelt in de openbaarheid, doch die grotendeels verloopt via voorgekookt beraad in achterkamertjes zoals bijvoorbeeld het Torentje van de minister-president. De Nederlandse politieke en bestuurlijke elite heeft lak aan de democratie, lak aan de burger en dat geldt zowel voor de politiek in engere zin als voor het gehele maatschappelijke middenveld. Lodewijk de Waal, de voorzitter van de FNV, is tenslotte net zo'n regent als (minister van Justitie) Korthals Altes, al verkoopt de eerste dat feit wat populistischer en daardoor heel wat sympathieker.

Nederland kent van oudsher een regentencultuur, een cultuur die zich zet in de begindagen van de Republiek in de zeventiende eeuw en die sedertdien het land heeft geteisterd, maar ook grote voordelen heeft gebracht. Het is een cultuur van elite-overleg, van plooien en gladstrijken en bovenal van gedogen. Door deze cultuur kunnen wij, de burgers, in een grote mate van vrijheid onze gang gaan. Onze overheden en besturen zijn zelden repressief of intolerant. Als wij hen erkennen laten zij ons met rust. Daardoor kan Nederland een baken van licht en beschaving zijn in een wereld van onderdrukking en wreedheid. De democratische gezindheid en de democratische cultuur van ons volk staan buiten kijf. Er zijn weinig landen in de wereld waar het wat dat betreft zo goed toeven is als in Nederland.

Onze vrijheid om te gaan en te staan waar wij willen, om te ondernemen en ons te uiten in woord en geschrift is nu al gedurende een reeks van eeuwen ongekend in de wereld. Met het democratisch gehalte van ons samenleven is weinig mis, met dat van ons bestuur en de inrichting van de collectieve sector is het op dat punt evenwel droevig gesteld. [...]

Toen Paars I in 1994 aantrad, na Lubbers III (CDA, PVDA: het kabinet van het was niks, het is niks en het wordt niks), leek het er even op dat er een andere wind zou gaan waaien en de collectieve sector op de schop zou gaan. Het is uitgedraaid op een diepe teleurstelling. De PVDA heeft zich in rap tempo getransformeerd tot een arrogante regentenpartij, die in niets onderdoet voor het CDA in haar gloriedagen, de dagen van `we run this country'. Lees voor de PVDA het CDA en voor Wim Kok (premier, PVDA) Ruud Lubbers (premier, CDA) en we verkeren nog steeds in het tijdperk-Lubbers. Het enige waarop Paars heeft gescoord, is op het punt van de overheidsfinanciën, door de introductie van de Zalmnorm (genoemd naar de uitmuntende VVD-minister van Financiën Gerrit Zalm), en op het punt van de zedelijkheidswetgeving (homohuwelijk, euthanasie en abortus). Voor het overige is het een droevige puinhoop van niet regeren geworden. Men heeft op de winkel gepast en dat is dan dat. [...]

Als het aan Paars II (VVD, PVDA EN D66) ligt wordt de coalitie geprolongeerd in Paars III zonder het inmiddels overbodige D66. Voor de inrichting van de collectieve sector en dus voor de dienstverlening aan de burgers en de bedrijven zou dit een regelrechte ramp zijn. Paars heeft bewezen geen ideeën terzake te hebben, laat staan de regievoering op zich te kunnen en te willen nemen. Ze hebben het acht jaar mogen proberen en niets klaargemaakt, tijd dus voor een nieuwe ronde met nieuwe kansen.[...]