Schrijver moet kijken, niet bekeken worden

Het boekenbal van vanavond berust op de gedachte dat het brede publiek zich zou afwenden van literatuur als er geen schrijver aan vastzit die kan worden aangeraakt. Dat is een waanidee: alsof het brede publiek uit een verzameling debielen bestaat, vindt Marek van der Jagt.

Wie de krant goed leest kan vaak lachen. Op 7 maart berichtte de kunstredactie van NRC Handelsblad: ,,De Vereniging van Schrijvers en Vertalers vindt dat de AKO Literatuurprijs misbruik maakt van de slechte financiële positie van veel Nederlandse auteurs, door te verwachten dat ze meewerken aan een televisie-uitzending.''

Het wachten is nu op de vakbond die verklaart dat uitgevers die alleenstaande vrouwen als receptioniste inhuren, misbruik maken van de slechte financiële positie van de alleenstaande vrouw.

Wat zou vernederender zijn, vijf dagen per week als receptioniste werken, of één keer per jaar op televisie verschijnen om eventueel een prijs in ontvangst te nemen, zelfs als dat betekent dat je gekoeioneerd wordt door bekende Nederlanders die je boeken niet hebben gelezen, of niet hebben begrepen?

Een beetje auteur moet er tegen kunnen gekoeioneerd te worden. Zodra hij zijn schrijftafel verlaat is dat tenslotte aan de orde van de dag.

Voor alle duidelijkheid: Het bestuur van de AKO-prijs heeft het volste recht van schrijvers te eisen dat ze op televisie verschijnen om in aanmerking te komen voor de prijs. Als ze zouden eisen dat de schrijvers in het rood gekleed gaan, zouden ze nog steeds in hun recht staan.

Andere prijzen zijn uitsluitend voor vrouwen of debutanten bestemd, het zou me niets verbazen als er ook een prijs is voor het beste vrouwelijke debuut die moet worden opgehaald in Vaals. Al die prijzen discrimineren niet, maken geen misbruik van slechte financiële posities van vrouwen, schrijvers en andere minderheden. Wij kunnen de juryleden en hoogwaardigheidsbekleders die die prijzen moeten uitreiken, niets dan goeds toewensen.

Maar de stichting die de AKO-prijs uitreikt maakt het zich onnodig moeilijk. Zij blijkt een doelstelling te hebben die verder reikt dan het propaganderen van een merknaam. De AKO-prijs wil ,,moderne Nederlandse literatuur onder de aandacht van een breed publiek brengen.''

Een nobele doelstelling zou je denken. Maar wie goed naar de stichting luistert, merkt dat men het schrijven van een boek, het boek zelf dus, niet genoeg vindt om moderne Nederlandse literatuur onder de aandacht van een breed publiek te brengen. Sterker nog, dat boek zelfs zou wel eens een hinderpaal kunnen zijn die tussen de aandacht van het brede publiek en de moderne Nederlandse literatuur staat. Wie weet valt dat boek het brede publiek tegen. Hoe de moderne Nederlandse schrijver ook zijn best doet, dat soort bedrijfsongelukken komen nog steeds voor.

Dit misverstand beperkt zich niet tot de AKO-prijs. Veel schrijvers lijken hun eigen boek slechts als een tamelijk hinderlijk neveneffect te beschouwen op weg naar de roem, de aandacht, het persoonlijke verhaal dat tig keer verteld kan worden, steeds weer aangepast voor een andere deelverzameling van het brede publiek. Begrijp me goed, ook dit is legitiem en meer dan dat, begrijpelijk. De Nederlandse auteur schijnt in een slechte financiële positie te verkeren, hij moet wat.

Dat ik her en der interviews lees met auteurs waarbij ik denk, die mensen zouden tegen zichzelf in bescherming moeten worden genomen, dit gaat niemand wat aan, wijst op persoonlijke schaamte die ik moet overwinnen.

De dwingende obsessie met roem lijkt mij een symptoom van een ziekte in een terminaal stadium, maar ook dat mag geen reden zijn de noodklok te luiden. Wat een misverstand te denken dat onze cultuur zo uniek en hoogwaardig is dat erna niets beter kan komen.

Bovendien zijn er de afgelopen decennia zoveel noodklokken geluid, dat de eerste de beste wekkerradio voor meer ophef zorgt. De behoefte om niet wakker te worden vind ik een zeer begrijpelijke. Apathie werkt beter dan valium en is nog goedkoper ook.

De Vereniging van Schrijvers en Vertalers verwart rechten met gunsten, want de AKO-prijs is geen recht, maar een gunst. Dat de gever voorwaarden stelt aan zijn gunst is zijn recht.

Onder uitgevers, journalisten, boekhandelaren en sommige lezers bestaat ook verwarring over rechten en gunsten.

Dat één schrijver het lekker vindt door het publiek met huid en haar te worden opgegeten, betekent niet dat alle schrijvers zich aan die behandeling moeten onderwerpen. Of dat ze spelbrekers zijn als blijkt dat ze uitsluitend privé willen worden opgegeten.

Jeroen Brouwers, winnaar van de AKO-prijs 2001, vatte de literaire prijzen samen als circussen der ijdelheid.

Ach, niet op televisie verschijnen lijkt mij in deze tijd op meer ijdelheid wijzen dan wel plaatsnemen in een studio en vragen beantwoorden die je daarna nooit meer hoopt te beantwoorden. Bovendien, wat is eigenlijk geen circus der ijdelheid?

Interessanter is dit: mensen die beweren het goed voor te hebben met de literatuur zijn ervan overtuigd dat het brede publiek uit een verzameling debielen bestaat. Men denkt dat het brede publiek zich afwendt van literatuur als er geen schrijver aan vastzit die kan worden aangeraakt, die men kan vragen hoe vaak hij zijn haar wast, die men een persoonlijke tragedie kan laten vertellen, en dan nog een persoonlijke komedie, en helemaal op het eind de namen van al zijn familieleden.

In de tijd dat ik in Wenen in een drogisterij werkte heb ik het brede publiek wel eens langs de schappen zien schuifelen. Misschien ben ik te optimistisch, misschien vergis ik me, maar volgens mij zitten daar intelligente, aardige mensen tussen, die op eigen kracht de weg naar de boekhandel kunnen vinden. Ook zonder de garantie dat de schrijver op televisie te zien is, het boekenbal aandoet, echte en vooral nare dingen heeft meegemaakt, altijd de waarheid spreekt en uiterst bescheiden is.

Een boek breng je onder de aandacht van een zo breed mogelijk publiek door een zo goed mogelijk boek te schrijven.

Als dat een vergissing is, dan maar geen boeken voor een breed publiek. Dan maar boeken voor een uitstervend publiek.

Achter de al eerder genoemde misverstanden gaat nog een ander, groter misverstand schuil. Namelijk dat de schrijver iemand is naar wie je kunt kijken, naar wie je kunt luisteren, die wijze dingen zegt, die je misschien raad kan geven.

Je kunt zijn boek lezen, maar het lichaam van de schrijver heeft je ogen niets te bieden.

De schrijver kijkt zelf. Daarom heeft hij een boek kunnen schrijven.

Ik kijk halve dagen naar mijzelf, ik weet wat er te zien is. Niet veel goeds. Dat wil ik niemand aandoen.

Mijn beroep is het om te kijken. En te luisteren.

Ik zal vanavond niet op het boekenbal zijn, maar u hoeft niet te vrezen. Want weet dat er naar u gekeken wordt.

Er is niemand onder u naar wie ik niet zou willen kijken, maar al wat ik daarvoor terug kan geven is wat ik schrijf.

Marek van der Jagt is schrijver van de roman De geschiedenis van mijn kaalheid en van Monogaam, het boekenweekessay van 2002.