Onvermoeibaar liberaal commentator

Ze dronken rode wijn van jaren die ontzag inboezemden. Aan tafel zaten de oude gravin Bismarck, schoondochter van rijkskanselier Otto von Bismarck, en de nog jonge gravin Marion Dönhoff. Het was januari 1945, Duitsland lag in puin.

Marion Dönhoff, 35, was te paard op weg van haar geboortegrond in Oost-Pruisen naar het westen, op de vlucht voor de oprukkende Sovjettroepen. De oude gravin wilde niet meer vluchten. Haar tijd was voorbij. In de tuin had ze alvast een graf laten delven. De jonge gravin was op weg van het eerste hoofdstuk in haar leven naar het tweede.

Marion Dönhoff, telg uit een aristocratische Pruisische familie, zou later als hoofdredacteur en uitgever van weekblad Die Zeit uitgroeien tot de grand old lady van de Duitse politieke journalistiek. Achter haar lag de landstreek van haar jeugd en een cultureel erfgoed dat ze nooit zou verloochenen. Voor haar lag een land dat nog een nieuwe start moest maken, een politiek proces dat ze vijf decennia lang met scherpe commentaren vanuit Hamburg zou begeleiden. Gisteren is Marion Dönhoff op 92-jarige leeftijd op haar ziekbed overleden.

De frêle dame met zilvergrijs haar, priemende blauwe ogen en een voorliefde voor snelle auto's werd in het naoorlogse Duitsland een ,,onbetwistbare morele instantie'', schreef mede-uitgever van Die Zeit, oud-bondskanselier Helmut Schmidt in zijn necrologie. Als jonge vrouw was ze betrokken bij de moordaanslag op Hitler, in het tweede deel van haar leven werd ze als onvermoeibaar liberaal commentator een van de steunpilaren van de nieuwe democratie. Kanselier Schröder noemde haar gisteren ,,een stem van het verstand waar men niet omheen kon''. In de Duitse ochtendbladen wordt vandaag met ontzag op haar bewogen leven teruggeblikt.

Dönhoff, geboren 1909, bracht haar jeugd door op landgoed Friedrichstein, twintig kilometer ten oosten van Königsberg, als jongste van zeven kinderen. ,,De uitlopers van het Ancien Regime beroerden nog net mijn kinderkamer'', zou ze later schrijven. Haar moeder was hofdame bij keizerin Auguste Viktoria, haar vader lid van de Rijkdsdag. Zo'n huishouden waar het personeel 's ochtends groette met: `Untertänigst guten Morgen, Excellenz'.

Op Friedrichstein leerde Dönhoff het bevoorrechte leven van de aristocratie kennen en werd ze verliefd op haar geboortegrond, het bucolische Masuren. De traditionele Pruisische waarden waren een integraal deel van haar opvoeding. Op Friedrichstein leerde ze gemeenschapszin en verantwoordelijkheidsbesef. Ook als de staat Pruisen later door de geallieerden wordt ontbonden en de kadaverdiscipline en het militarisme de Pruisische deugden als tolerantie, loyaliteit, zelfdiscipline en eerlijkheid gaan overschaduwen, de term `Pruisen' besmet raakt, blijft ze haar wortels trouw.

Ze studeerde staathuishoudkunde in Frankfurt am Main, waar ze met communistische sympathisanten streed tegen het bruine gevaar. Uit die tijd stamt haar bijnaam `Rode Gravin'. Toen Hitler in 1933 aan de macht kwam vluchtte ze naar Bazel. Terug in Oost-Pruisen raakte ze betrokken bij het verzet tegen Hitler en onderhield ze contacten met de verzetsgroep rond Yorck, Moltke en Stauffenberg die op 20 juli 1944 een poging deed de dictator te vermoorden. Omdat haar naam niet voorkwam in de blauwdruk voor een toekomstige nieuwe regering ontsnapte ze aan een wisse dood. Veel van haar vrienden werden opgehangen. Haar leven lang zou Dönhoff de herinnering aan de verzetshaard levend houden. Ze onderstreepte daarbij dan dat het de Pruisische aristocratie was die Hitler ten val wilde brengen, dat er verhoudingsgewijs weinig Pruisen tot de elite van het nationaal-socialisme behoorden. In 1990 liet ze een gedenkteken voor de coupplegers oprichten.

Met die geestelijke bagage raakte ze in 1946 verzeild bij de Gideonsbende die in Hamburg van de Britse bezetter een licentie had gekregen om een nieuw weekblad te beginnen. Al in haar eerste bijdrage maakte ze duidelijk dat de politieke wederopbouw en de omgang met het verleden tot haar kernthema's zouden behoren. Ze schuwde daarbij de controverse niet. In het eerste stuk stond de Totensonntag centraal, een dag waarop traditioneel de doden werden herdacht en die door de nazi's tot gedenkdag voor gevallen helden was geperverteerd. Verwijzingen naar Totensonntag waren daarom taboe. Dönhoff trok er zich niets van aan en schreef een essay over het belang het verleden onder ogen te zien. Het stuk werd met een foefje langs de censor gesmokkeld.

Later fulmineerde ze tegen de willekeur van de bezettingsmacht en tegen de oorlogsprocessen in Neurenberg. Dönhoff was van mening dat opsporing en berechting van oorlogsmisdadigers vooral een zaak van Duitsers behoorden te zijn.

In de decennia die volgden werd Dönhoff de drijvende kracht achter het liberale weekblad. Toen de redactie in de jaren vijftig naar rechts dreef stapte ze tijdelijk op. De journalistieke uitgangspunten van uitgever en hoofdredacteur Dönhoff waren eenvoudig. Een journalist moet naar rationele argumenten zoeken en zijn onderwerp van overdreven emoties bevrijden. Een journalist moet ook tegenwicht bieden. Bij grote publieke consternatie is het de plicht van de journalist te relativeren, bij apathie de wereld wakker te schudden. Dönhoff was allergisch voor de waan van de dag.

Dönhoff schreef over binnenlandse en buitenlandse politiek, reisde over de hele wereld, knoopte contacten met machthebbers en wetenschappers. Maar het ,,oosten'', haar ,,oosten'' was het constante thema in haar oeuvre. Ze schreef over haar jeugd in Oost-Pruisen en maakte zich al vroeg sterk voor verzoening met Polen. Ze steunde de Ostpolitik van Willy Brandt en bepleitte erkenning van de Oder-Neisse-lijn als Duitse oostgrens. Na de Duitse eenwording streed ze voor een voortgaande Europese integratie en uitbreiding van de Europese Unie naar het oosten. Dönhoff heeft talloze onderscheidingen ontvangen, het meest trots was ze op een eredoctoraat van een Poolse universiteit.

In de jaren negentig stelde ze het materialisme en individualisme aan de kaak en maakte zich sterk voor een ethisch reveil. Het gebrek aan plichtsbesef en gemeenschapszin, de concentratie op hedonisme en eigen belang, waren in haar ogen verantwoordelijk voor het toenemende geweld in het leven van alledag. Het waren Pruisische waarden die haar kritiek op het kapitalisme voedden, schreef Roger de Weck, voormalig hoofdredacteur van Die Zeit vanochtend. Marion Dönhoff was ongehuwd en had geen kinderen.

Citaten onder andere afkomstig uit de monografie `Marion Dönhoff' door Haug von Kuenheim.