Hardop dubben over spannend JSF-avontuur

De Tweede Kamer hield gisteren een hoorzitting over het kabinetsbesluit om mee te doen aan de ontwikkeling van de Joint Strike Fighter.

De prijs voor de leukste opmerkingen ging gisteren zonder concurrentie naar Bruno Cotté. Tijdens de parlementaire hoorzitting over het kabinetsbesluit om deel te nemen in de ontwikkeling van de Amerikaanse Joint Strike Fighter (JSF), had de topman van de Franse vliegtuigfabriek Dassault een paar keer de lachers op zijn hand.

Toen hem werd gevraagd hoe hij was behandeld door het ministerie van Economische Zaken, zei hij: ,,Niet goed en niet slecht, want ik bén helemaal niet behandeld.'' En toen hij moest uitleggen hoe zijn vliegtuig `Rafale' (met slechts enkele honderden toestellen) het economisch wilde opnemen tegen de JSF (duizenden toestellen), opperde hij cynisch dat de toehoorders hem toch wel niet zouden geloven: ,,Ach ja, ik ben een Fransman, dus een leugenaar.''

De concurrenten van de JSF, naast het Franse Rafale het Europese consortium Eurofighter, kregen gisteren uitgebreid de kans hun gal te spuwen.

Beide ondernemingen onderstreepten tegenover de Kamerleden dat zij waren genegeerd in het proces voor de opvolging van het F-16 gevechtsvliegtuig. Bovendien zouden er in de cijfers over de Rafale en de Eurofighter die het kabinet naar de Kamer had gestuurd ,,onverklaarbare verschillen'' zitten. Maar hoe prikkelend af en toe ook, de optredens van de Europeanen waren toch een achterhoedegevecht.

Luchtmacht, de industrie en het ministerie van Economische Zaken hebben in 1998 al onomwonden gekozen voor het JSF-project. Participatievoorstellen van de Europese industrie werden daardoor niet serieus behandeld.

En zo ligt er nu een kabinetsbesluit op tafel dat door Tom Burbage, directeur van fabrikant Lockheed Martin, als een ,,profound opportunity'' (een geweldige mogelijkheid) voor Nederland wordt gezien, met zo goed als geen risico voor de staat.

Maar daar denkt het Centraal Planbureau (CPB) anders over. De rekenmeesters van het kabinet wezen op de hoge prijs van het `ticket' (800 miljoen dollar) dat Nederland moet betalen om mee te doen aan de ontwikkeling van de Joint Strike Fighter. Het overgrote deel van dit bedrag moet al in 2008 zijn overgemaakt naar de VS. ,,Dat betekent een gebrek aan flexibiliteit'', zei T. van Hoek, onderdirecteur van het CPB, op de hoorzitting. Met andere woorden: Nederland kan dan gewoon niet meer terug.

Nederland zal niet alleen de JSF moeten aanschaffen (om via kortingen een deel van het geïnvesteerde geld terug te krijgen), maar ook decennia afhankelijk zijn van het succes van het project. En dat succes is nodig, want alleen dan profiteert Nederland van de royalties van te verkopen JSF's in het buitenland. En alleen dan gaan de deelnemende Nederlandse bedrijven omzet draaien en kunnen ze een deel van het kapitaal terugstorten in de staatskas.

Zo'n miljardenomzet is niet gegarandeerd, maakte generaal Jack Hudson, directeur van het JSF-Program Office, duidelijk. En directeur Burbage van Lockheed Martin bevestigde nog maar eens dat de industrie ,,om de druk op de markt te houden'', ook tussentijds concurrerend moet blijven. Het CPB vond ,,deze risico's niet te onderschatten'' en pleitte voor `kopen van de plank'. Het Planbureau erkent dat het JSF-project werkgelegenheidseffecten heeft, maar stelde opnieuw dat dit, wegens het gebrek aan hoogopgeleid technisch personeel, andere economische effecten verdringt.

Er was veel te bepraten in de Thorbeckezaal, zo werd gisteren duidelijk op het Binnenhof waar het letterlijk blauw zag van de belanghebbenden. Naast het gedistingeerde blauw van de Royal Air Force, het doffe blauw van de Luftwaffe en het strakke blauw van US Air Force, waren er vooral de stemmige donkerblauwe kostuums van de vertegenwoordigers van de Nederlandse luchtvaartindustrie. Zij behandelden een breed scala aan onderwerpen: van de voordelen van stealth (het systeem dat vliegtuigen onzichtbaar voor de radar maakt) tot de belangen voor de studenten lucht- en ruimtevaart. Maar de hoofdvraag bleef toch: wegen de voordelen op tegen de risico's voor de Nederlandse belastingbetaler?

Gisteren werd nogmaals duidelijk dat er veel vragen leven over de onderliggende financiële afspraken met de overheid. Het bedrijfsleven, verenigd in het NIFARP, is zich een hoedje geschrokken van het contract dat het kabinet het afgelopen weekeinde naar het NIFARP heeft gestuurd. Daarin wordt het risico voor de overheid (de investering van 800 miljoen dollar) gecompenseerd met strikte voorwaarden voor de industrie. Zo is er, anders dan de bedrijven denken, geen vast af te dragen bedrag, maar wordt de omzet van de industrie als `sluitpost' van de betalingen gezien.

NIFARP-voorzitter K. Vis zei dat men het contract nu ging ,,bestuderen''. Hij had er nog ,,alle vertrouwen'' in dat ,,bedrijfsleven en overheid er goed uitkomen'', daarmee de suggestie wekkend dat er opnieuw over de voorwaarden gesproken kan worden. Maar een woordvoerder van het ministerie van Financiën ontkende dat vanmorgen desgevraagd.

De strubbelingen over het contract verschaffen in ieder geval wel duidelijkheid over het reële optimisme van het bedrijfsleven over het JSF-project. Of, zoals woordvoerder Timmermans (PvdA) gisteren na afloopt zei: ,,Als ze echt zo positief zijn, moeten ze ook niet moeilijk doen over de voorwaarden. Waarom zou de overheid zo'n risico dan wel moeten nemen?'' CPB-onderdirecteur Van de Hoek schetste de rol van de overheid in het JSF-project, als `voorschieter' van zo'n groot bedrag, op een andere manier: ,,Op de commerciële markt zou geen partij het op deze manier doen.''