Handenschudden

Langs een kaalgetrapt veld van de Leiderdorpse voetbalclub RCL werd ik afgelopen zaterdag even aan de heren Ad Melkert en Hans Dijkstal en hun alom gekritiseerde wrokkige houding jegens Pim Fortuyn in het lijsttrekkersdebat van de woensdag daarvoor herinnerd. Staat die stakker langs een voetbalveld, moet hij nóg aan de politiek denken, wat zal die man een treurig binnenleven hebben, zegt de lezer nu vermoedelijk. Maar nee, deze keer was er maar in beperkte mate sprake van de gevolgen van een in de loop der jaren opgelopen beroepsdeformatie. Dat zal ik uitleggen.

Omdat hun vader ziek was mocht ik afgelopen zaterdagochtend twee kleinzonen, respectievelijk zes en acht jaar oud, naar hun voetbalwedstrijden begeleiden. Niet alleen maar brengen en kijken maar ook, waar dat nuttig of nodig leek of waar familiaire solidariteit dat vereiste, van de zijlijn gewichtige tactische tips of complimenten geven. Want ook langs de zijlijn zijn er, tussen leiders, vaders, moeders en andere belangstellenden, interessante wedstrijden te beleven. In ouderlijk begrip of chauvinisme of juist in sportieve pedagogie.

Een van de pedagogische hoogtepunten in de bedoelde leeftijdsklasse is dat de jongetjes van beide partijen na afloop een rij vormen en elkaar stuk voor stuk een hand geven. Dat is een gebruik dat uit de Britse sportwereld komt en dat mede te maken heeft met oorspronkelijke noties van de ruling class als: goed, er zij een wedstrijdsport voor iedereen, en het mag er ook stevig aan toegaan, maar er mogen geen doden vallen en er mag niet te veel sociale schade ontstaan. Fair play telt, na afloop herneemt het leven zijn gewone geordende loop en geef je mekaar netjes een hand.

Voor de oudste kleinzoon was dat 's ochtends vroeg geen probleem, hij had gewonnen, tweemaal gescoord en had desnoods wel drie rondjes handenschudden willen doen met zijn slachtoffers. Maar de jongste had hevig verloren en had ernstige klachten over het slechte veld, veel te grote tegenstanders, een te zware bal, een partijdige scheidsrechter enzovoort. Er moest enig pedagogisch geweld op hem worden toegepast voor hij, met min of meer afgewend hoofd, toch aan het handenschudden begon. Dat was het ogenblik dat mijn gedachten teruggingen naar afgelopen woensdagnacht, naar de wrokkige houding van de heren Melkert en Dijkstal jegens de tevreden glimmende verkiezingswinnaar Fortuyn. Zij hadden dik verloren, zij hadden zwaar de pest in en zij waren daarin heel transparant.

Dat was in dit geval nu eens geen deugd, maar juist heel verkeerd. Sinds die woensdagnacht is er een stoet van adviseurs, consultants en professionele woordvoerders door de media getrokken om dat uit te leggen. Van sommige deskundigen kon je je nog herinneren dat zij vroeger in hun analyses en campagneadviezen ook wel eens de plank flink mis geslagen hadden, maar dat is kennelijk niet altijd een beletsel voor hun bezigheden van vandaag. Zij hebben deze keer bovendien van alle kanten gelijk gekregen. Melkert kwam een dag later zelf al toegegeven dat hij zich anders had moeten gedragen. En de arme Dijkstal hoort het rommelen in de Kamercentrales van de VVD en werd zondag in het tv-programma Buitenhof getrakteerd op een kritische campagne-recensie van Hans Wiegel, de alternatieve VVD-lijsttrekker sinds 1982, die maar weer eens herhaalde dat hij niet tegen een coalitie met het CDA en de lijst-Fortuyn zou zijn. Meer nog, dat hij desgevraagd, natuurlijk, desgevraagd, ,,maar de kans daarop is klein' misschien zelfs wel zou willen overwegen om premier van zo'n coalitie te worden. Compleet, met zo'n lachje en zo'n guitige blik de camera in. Alles wie gehabt, zouden de Duitsers zeggen. Sinds 1986, toen hij na langdurig handenwringen weigerde om zijn overleden partijgenoot Rietkerk op te volgen als minister van Binnenlandse Zaken, is dit VVD-erelid zó geregeld te zien geweest in zo'n solostukje Hou me vast, want anders kom ik misschien wel terug naar Den Haag dat elke volgende openbare opvoering ervan de direct betrokkenen, nu eens Nijpels, dan Voorhoeve, nu eens Bolkestein, dan Dijkstal, méér irriteert.

Al gedroegen zij zich dan niet handig of verstandig, ik kon afgelopen woensdag toch aardig wat begrip opbrengen voor de norse houding van Melkert en Dijkstal jegens Fortuyn. Daar zaten ze, na middernacht, zwaar geklopt door een knappe performer die in de afgelopen kwart eeuw van krities marxist aan de linkerkant via enige korte tussenstops naar het andere, rechtse einde van de Nederlandse politiek is gefietst en die in de peilingen al op 18 `anti-Haagse' Kamerzetels zit. Iemand die nog maar een paar weken geleden heeft gebroken met de partij, Leefbaar Nederland, die hij at your service eigenlijk als lijsttrekker zou hebben vertegenwoordigd. Een verbale tijger die geen treiterkans laat liggen en die voor de nationale plannen van zijn lijst-Fortuyn nog laconiek verwijst naar een boek dat 14 maart moet verschijnen en waarop derden partijleden of Kamerkandidaten geen invloed hebben gehad. Iemand die zijn campagne laat financieren door vrienden uit de vastgoedhandel aan wie zelfs in die toch niet kinderachtige wereld een stevig haaien-gehalte wordt toegekend (zie daarvoor bijvoorbeeld een artikel in het blad FEM van 9 maart). Iemand die met de spelregels en usances van het politieke leven van Melkert en Dijkstal, of met hun ernstige calculaties in de kleine ruimte van de Haagse werkelijkheden, weinig te maken wil hebben en in plaats daarvan dingen zegt die velen beter in het gehoor liggen. Is het dan vreemd dat Melkert en Dijkstal vorige woensdag niet met uitgestoken hand en een hartelijke gelukwens op deze eigensoortige tegenstander afstapten? `Sportief', als het ware? Ik maak me sterk dat heel wat mensen dat juist als een demonstratie van onwaarachtigheid zouden hebben gezien. Mensen bijvoorbeeld die bij alle kritiek `Den Haag' en het grijze parlementarisme niet willen ruilen voor slimme hagepreken uit een volgelopen opkamer. Die zeggen: een hand had gemogen en gemoeten, maar niet meer dan een klein handje. En hou de andere hand klaar voor het gevecht.