Een succesvolle held

De econoom John Maynard Keynes was een scherpzinnige denker, een liefhebber van cultuur en de intellectuele motor achter de wederopbouw. Hij speelde een hoofdrol in Groot-Brittanniës finest hour, de Tweede Wereldoorlog. Zijn biograaf Robert Skidelsky heeft een monument in drie delen voor hem opgericht.

Op de deur van kamer 219 van het hotel Mount Washington hangt een koperen bordje met de naam van de beroemdste gast die ooit in deze kamer gelogeerd heeft: John Maynard Keynes. In de zomer van 1944 verbleef Keynes hier, samen met 700 afgevaardigden afkomstig uit 44 landen. Het ligt in een uithoek van de Amerikaanse staat New Hampshire, in een streek die bekend staat als Bretton Woods. Het elegante hotel, opgetrokken uit hout, wit geschilderd met rode daken, brede veranda's, glas-in-lood-ramen in Jugendstil en een roze-geschilderde achthoekige eetzaal, was beroemd als zomerverblijf voor de zakelijke elite van de Amerikaanse oostkust.

Maar in 1944 was het de verzamelplaats voor wat met een groots gebaar de `monetaire conferentie van de Verenigde Naties' werd genoemd. Hier werden de grondslagen gelegd voor de naoorlogse financiële en economische orde die bekend werd als het `stelsel van Bretton Woods'. Het zou tot 1971 stand houden, toen president Nixon de dollar loskoppelde van het goud. Hier werd ook besloten tot de oprichting van het Internationaal Monetair Fonds en de Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, beter bekend als de Wereldbank.

Keynes, in 1942 tot Lord benoemd en inmiddels 61 jaar oud, gaf samen met Harry Dexter White, adviseur van de Amerikaanse minister van Financiën, leiding aan de conferentie. De invasie van Normandië had zojuist plaats gevonden, de geallieerden waren aan de winnende hand. Hoewel niet alle voorstellen van Keynes werden overgenomen, was hij wel de intellectuele motor van de conferentie. Het begin van de wederopbouw van de door oorlog verwoeste Europese landen en de centrale rol die het IMF sindsdien in de beheersing van financiële crises speelt (zie nu Turkije en Argentinië), behoren tot de keynesiaanse erfenis.

John Maynard Keynes wordt algemeen beschouwd als de grootste econoom van de twintigste eeuw. Het `keynesianisme' was min of meer standaardbeleid in de westerse landen in de jaren vijftig en zestig. Centraal stond stimulering van de vraag door verhoging van de overheidsuitgaven om stagnatie en werkloosheid te bestrijden. Het was een weerlegging van de klassieke theorie waarin werd beweerd dat in een vrije markteconomie, vraag en aanbod altijd vanzelf een optimaal evenwicht bereiken. Daarvan bleek in de crisisjaren geen sprake. Keynes' inzicht was dat een economie ook ónder het optimale niveau een evenwicht kon bereiken, met chronische werkloosheid als gevolg. Overheidsuitgaven – tekortfinanciering – konden de werkloosheid bestrijden. Zijn beroemde voorbeeld was dat de overheid desnoods oude flessen gevuld met bankbiljetten moest begraven en die vervolgens moest laten opspitten om de economische activiteit te herstellen.

Het derde deel van de monumentale biografie door Robert Skidelsky, Fighting for Britain (1937-1946), waarvan onlangs de Amerikaanse editie is verschenen (met als titel Fighting for Freedom), beslaat de laatste negen jaar van Keynes' leven. Skidelsky, hoogleraar politieke economie aan de universiteit van Warwick, brengt in dit deel de veelzijdigheid van Keynes naar voren. Die was niet louter de grondlegger van het keynesianisme. In deze benarde Britse oorlogsjaren zette hij zich in voor het behoud van het Britse imperium, de financiering van de oorlogsinspanning en de opzet van het naoorlogse internationale monetaire systeem. Hij was `het vijfde wiel aan de wagen', schrijft Skidelsky.

Keynes was toen al een beroemdheid, een academicus op eenzame hoogte. Zijn intellectuele scherpzinnigheid, de helderheid van zijn manier van denken waren alom geroemd. Aan ieder vraagstuk waarmee hij zich bezig hield, kon hij een onverwachte, originele gedachte wijden. `He never dipped his headlights', zo citeert Skidelsky de kunsthistoricus Kenneth Clark.

In 1937 had Keynes een hartaanvaal gekregen en hoewel hij hiervan redelijk genas, bleef zijn gezondheid zwak. Maar zijn energie was ongebroken. Toen in september 1939 met de Duitse inval in Polen de oorlog uitbrak, was zijn grootste zorg hoe Engeland de strijd zou kunnen betalen. Terwijl Churchill zich wierp op het militaire slagveld tegen nazi-Duitsland, voerde Keynes de oorlog op het financiële en economische front. Als onbezoldigd (!) adviseur van het ministerie van Financiën bevond Keynes zich in het hart van de Britse oorlogsinspanning. Hij bekleedde geen kabinetspositie, maar hij was de feitelijke minister van Financiën van Churchill en vervolgens de naoorlogse minister van Planning onder Attlee.

Eind 1939 schreef Keynes How to Pay for the War, dat werd uitgewerkt tot het Keynes Plan voor de Britse oorlogseconomie. Door de militaire uitgaven liep het begrotingstekort op en nam de werkloosheid af. Het probleem, analyseerde Keynes, was niet langer – zoals in de crisisjaren – te weinig, maar te veel vraag. Hij stelde voor om de particuliere bestedingen te beperken door gedwongen besparingen en de industriële productie te herschikken door het prijsmechanisme. Hoewel Groot-Brittannië uiteindelijk overging op een sterk geleide oorlogseconomie, hielp Keynes de financiële en economische middelen vrij te maken waarmee Churchill de oorlog kon voeren.

In 1942 kwam Keynes met een plan voor een naoorlogse economische orde waarvoor hij de oprichting bepleitte van een International Clearing Union. Daarmee konden volgens hem de fouten worden voorkomen die in de jaren dertig de economische crisis verergerd hadden, namelijk handelsprotectionisme en krap-geldbeleid. In Bretton Woods kreeg het plan in 1944 vorm onder de naam Internationaal Monetair Fonds. Het IMF was anders georganiseerd dan Keynes had gewild, hetgeen de macht weerspiegelde van de Verenigde Staten. Als de grootste crediteur ter wereld voelden de Amerikanen er niets voor om onbeperkt goedkoop geld aan debiteurenlanden als Groot-Brittannië beschikbaar te moeten stellen.

In de herfst van 1945 onderhandelde Keynes in Washington met de Amerikanen over een lening die nodig was voor het naoorlogse herstel. Hij hoopte dat de Verenigde Staten met een omvangrijke gift Groot-Brittannië te hulp zouden komen. De Amerikanen weigerden en de onderhandelingen liepen voor hem uit op een diepe teleurstelling. Vier maanden later was Keynes dood.

Volgens Skidelsky was het opzet van de Verenigde Staten om Groot-Brittannië na de Tweede Wereldoorlog van zijn wereldrijk, macht en invloed te beroven. De Amerikanen hielden Keynes kort – in Bretton Woods, in Washington – om de weg te effenen voor een naoorlogse wereldorde gebaseerd op een Amerikaans-Sovjet-Russisch bondgenootschap, schrijft hij. Tevergeefs probeerde Keynes Groot-Brittannië als een koloniale mogendheid te redden. Met de Verenigde Staten als bondgenoot werd weliswaar de oorlog tegen Duitsland gewonnen, maar met de VS als rivaal ging het Britse wereldrijk verloren. Het was, in de woorden van Skidelsky, triomf en tragedie.

Deze opvatting van de biograaf over bewuste Amerikaanse kleinering van Groot-Brittannië is in kritieken heftig aangevallen. Van een naoorlogse Sovjet-Amerikaanse alliantie was immers al snel geen sprake meer toen in 1947-'48 het tijdperk van de Koude Oorlog begon en de Amerikanen de Marshallhulp op gang brachten. Groot-Brittannië was bovendien veel zwakker dan de Verenigde Staten. De Verenigde Staten hadden een grotere bevolking, een sterkere economie, meer bewapening én de machtige dollar.

Maar verder heeft Skidelsky's biografische trilogie, waaraan hij meer dan twintig jaar heeft gewerkt, niets dan lof geoogst. Hij portretteert Keynes in al zijn veelzijdigheid: de jonge elitestudent, de aristocraat, de populaire auteur, de beginnend politicus, de rector van Cambrigde, de ambtelijk adviseur, de speculant, de estheticus en de cultuurminnaar die het middelpunt vormde van de intellectueel-literaire Bloomsbury Group aan het begin van de twintigste eeuw.

Het eerste deel van Skidelsky's trilogie gaat over de jeugdjaren van Keynes en het zorgeloze Britse intellectuele klimaat in de periode vóór 1914. Al in Cambridge had Keynes uiting gegeven aan zijn homoseksualiteit en dat zette zich voort in de Bloomsbury Group, waarvan de leden, mannen en vrouwen, vriendschappen en seksuele relaties met elkaar onderhielden. Het begin van de oorlog in 1914 maakte een abrupt einde aan deze experimenten in de persoonlijke levenssfeer; de Bloomsbury-leden schikten zich naar het burgerlijke bestaan en trouwden. Zo ook Keynes. In 1918 had hij de Russische ballerina Lydia Lopokova ontmoet met wie hij in 1925 trouwde.

Direct na de Eerste Wereldoorlog kreeg Keynes enorme publieksbekendheid met de publicatie van The Economic Consequences of the Peace, een nog altijd leesbaar pamflet uit 1919 tegen de wurggreep waarmee de kortzichtige overwinnaars van Versailles het verslagen Duitsland financieel dachten te kunnen kleineren. Het liep uit, zoals bekend, op de opkomst van het nazisme en de Tweede Wereldoorlog nog geen twintig jaar later.

In deel twee staat Keynes' economische hoofdwerk, General Theory of Employment, Interest and Money (1936) centraal. Dit was het antwoord op de grote depressie van de jaren dertig. Het veranderde radicaal het economische denken in de wereld en vormde de grondslag voor de macro-economie, de overheidssturing van de economische conjunctuur en uitgaven ter stimulering van de vraag om massa-werkloosheid te bestrijden. Toen het boek verscheen stonden de ideologische standpunten onverzoenlijk tegenover elkaar: vrije markt of centrale planning, vrijhandel of protectionisme, conservatisme of socialisme. Keynes verbrak dit dogmatisme. Hij schetste de mogelijkheid van volledige werkgelegenheid zónder de onderdrukking van de politieke en economische vrijheden. Het was, zoals Skidelsky het noemt, een New Way van liberalisme ten aanzien van de verhouding markt en staat. Keynes, beklemtoont hij, was liberaler in zijn opvattingen dan menig `keynesiaan' later zou beweren.

Zijn leven lang is Keynes een sfinxachtige persoonlijkheid geweest. Hij was een succesvolle en geen tragische held, eerder Odysseus dan Achilles, concludeert Skidelsky. Méér dan louter een groot econoom, een monumentaal historische figuur die een onderbelichte hoofdrol heeft gespeeld in Groot-Brittannië's finest hour, de Tweede Wereldoorlog. `Maynard heeft zijn leven voor zijn vaderland gegeven, zo zeker als wanneer hij gevallen was op het slagveld', schreef zijn collega-econoom Lionel Robbins na Keynes' overlijden op 21 april 1946. Wat bleef, was zijn overtuiging dat economische denkers niet de schatbewaarders zijn van de beschaving, maar van de mogelijkheid van beschaving. Skidelsky heeft dit gedachtegoed op een schitterende manier voor het hedendaagse publiek toegankelijk gemaakt.

Robert Skidelsky: John Maynard Keynes, Fighting for Britain 1937-1946. Uitg. Macmillan, Londen 2001, 580 blz., £ 12,99 (paperback). In 1983 verscheen deel 1, Hopes Betrayed (1883-1920) en in 1992 deel 2, The Economist as Saviour (1920-1937).