De roekeloze schrootdieven van de Jenisej

In Siberië zoekt een `gesloten stad', voormalig producent van plutonium, naar een nieuwe rol: depot voor buitenlands kernafval. Dieven azen opgewekt op radioactief schroot. `Wodka absorbeert straling.'

Op de landkaart is het nog steeds een groene vlek, al is het bestaan van Krasnojarsk-26 allang geen geheim meer. Zonder pasje strandt de bezoeker bij de eerste slagboom. Daar staat ook het betonnen embleem van de `gesloten stad': een beer die worstelt met een schaalmodel van een atoom.

Zjeleznogorsk wordt deze stad van 90.000 zielen ook wel genoemd, en vroeger Atomgrad. Op de halfbevroren rivier de Jenisej warmt een zwerm eenden zich aan het stomende koelwater van de enige nog werkende kernreactor. Krasnojarsk-26 was een belangrijk strategisch object van het Stalin-regime. In juni 1950 begonnen 70.000 dwangarbeiders te graven, acht jaar later werden de drie reactoren opgestart. Driehonderd meter onder de grond produceerden ze plutonium-239 voor het Sovjet-kernarsenaal.

In geval van oorlog zou het personeel zijn geëvacueerd naar een catacombenstad: fabriekshallen, laboratoria, klinieken, kantines en slaapzalen. Het graniet van het Atemanovo-massief zou hen hebben beschermd tegen kernraketten, de reactoren hadden plutonium geproduceerd tot aan de eindoverwinning van het socialisme. Terwijl de omwonenden dachten dat er ijzererts werd gewonnen, groeide naast de holle berg een gesloten stad. Behalve plutonium maakte men spionagesatellieten en wodka. Het leven was er goed.

Toen viel de Sovjet-Unie uiteen. In 1992 sloot de `Chemische Mijnbouwcombinatie', zoals de plutoniumfabriek was gedoopt, twee van de drie reactoren. Salarissen werden niet of onregelmatig uitbetaald, gepensioneerde kernfysici werden teruggeworpen op de aardappelen uit hun moestuintjes. Werkloosheid, armoede en misdaad deden hun intrede. Plannen voor een civiele industrie kwamen niet van de tekentafel.

Nu gloort er weer hoop. Krasnojarsk-26 wordt een van de eindstations voor treinen met gebruikte kernbrandstof uit Europa en Azië. In juni vorig jaar stemde het Russische parlement voor een wet die het mogelijk maakt twintigduizend ton daarvan te importeren. Tot 2021 ligt het opgeslagen bij Krasnojarsk en Tsjeljabinsk, terwijl Rusland van de opbrengst – ruim twintig miljard dollar – een verwerkingsindustrie en nieuwe reactoren bouwt en bestaande nucleaire vervuiling opruimt. Dat beweren althans de voorstanders.

Tegenstanders vrezen dat Rusland de `heilige graal van kernenergie' najaagt: een economie gebaseerd op plutonium, gewonnen uit de gebruikte kernbrandstof en afgedankte kernkoppen, verbrand in een nieuwe generatie reactoren. In het westen is dit idee door te hoge kosten en risico's in diskrediet geraakt. Anderen voorspellen dat het geld gewoon verdwijnt in de bodemloze put van de bureaucratie. Rusland wordt dan een mondiale atoomdump met nucleaire treinen die als rijdende tijdbommen over de taiga zwoegen.

Onder de Russen is de import zeer impopulair. Vorig jaar verzamelden ecologische groepen 2,5 miljoen handtekeningen, ruim voldoende om een referendum over de kwestie af te dwingen. Geen nood: 800.000 handtekeningen werden ongeldig verklaard.

In december arriveerde de eerste trein met 41 ton gebruikte kernbrandstof uit Bulgarije. ,,Mijn oud-collega's stonden langs het spoor te juichen'', zegt Anatoli Mamajev, de dissident van Krasnojarsk-26. Van 1965 tot 1978 was hij er belast met nucleaire veiligheid, daarna was hij de twisten met de directie beu en zocht hij werk als jachtopziener. ,,Het is als de hond van Pavlov'', zegt Mamajev. ,,Het personeel krijgt maanden geen salaris, tot een trein met nucleair afval binnenrijdt. Dan is er geld, dus natuurlijk ben je blij.''

De komende jaren zullen de opslagloodsen van Krasnojarsk-26 gestaag vollopen. Hoe veilig zijn ze, bijvoorbeeld tegen terroristische aanslagen? ,,In de Sovjet-tijd kon je niet naar de overkant varen'', zegt Zjenja. ,,Ze schoten je zo dood. Nu is het een puinzooi.'' Sinds zijn terugkeer uit de gevangenis – een bijlmoord na een dronkenmansruzie – verdient Zjenja de kost met het stelen van schroot. Aluminium, lood en zink – twintig roebel de kilo. Metaal is op de vuilstort van Krasnojarsk-26 ruim voorhanden. Naast eigen besmet metaal ligt er schroot uit Tsjernobyl. ,,Straling is ongevaarlijk als je drinkt, wodka absorbeert het'', doceert Zjenja. ,,Op een goede dag laad ik zo een paar honderd kilo in mijn boot.''

Zjenja is een van de schrootdieven die Krasnojarsk-26 afstropen. Hij woont in Atamanovo, een gehucht van wegrottende hutjes aan de Jenisej. De lokale kolchoze fokt kippen en varkens voor mijnstad Norilsk, duizenden kilometers stroomafwaarts. Dat levert weinig werk op, dus vissen de mannen en stelen ze metaal. Met visser Sergej Kiapo varen we de rivier op, langs de hekken, pomphuizen en afvoerpijpen die de grens van Krasnojarsk-26 markeren. Verderop dobbert een bootje. ,,Schrootdieven'', zegt Sergej. ,,Ze hebben geen hengels.'' De dieven grijnzen ons vriendelijk toe, hun stalen kunsttanden flitsen in de winterzon.

Kostja en Sasja zeggen radioactief schroot te mijden. ,,We zijn niet levensmoe, zoals Zjenja. Die kwam eens terug met paarse blaren op zijn armen.'' `Vers metaal' heeft hun voorkeur, al is het ook daarmee oppassen. Vorige zomer klommen twee dieven via een ventilatieschacht in de ondergrondse verkeerstunnel naar het nucleaire complex. Ze schakelden de stroom uit en stalen tientallen meters elektriciteitskabel. Gevolg was dat de pompkamers stilvielen en de tunnel onder water liep. Dat ging iets te ver. Er volgde een klopjacht, de dieven kregen twaalf en zes jaar cel. ,,Daarna was de bewaking een tijdje heel streng'', moppert Kostja. Maar inmiddels kan men weer met gerust hart uit stelen.

Niet alleen schrootdieven hebben vrij spel. ,,Ik heb tien jaar kernraketten bewaakt'', zegt oud-militair en Greenpeace-activist Maksim Sjingarkin. ,,Zo'n wanorde als hier vind je zelfs binnen ons leger niet.'' Hij haalde twee weken geleden een stunt uit. Met een Doemalid en een tv-ploeg van NTV wandelde hij op klaarlichte dag het terrein van Krasnojarsk-26 op. Een uur lang schoten ze een video, toen roeiden ze weer naar de overkant. Niemand die hen stoorde.

,,Kunnen terroristen de opslag bereiken?'', vroeg Sjingarkin een week later op een persconferentie van de Chemische Mijnbouwcombinatie. Onmogelijk, zei directeur Vasili Zjidkov. ,,We hebben honderden bewakers en een regiment agenten.'' Waarna de videobeelden het tegendeel bewezen. Sjingarkin stuurde een kopie naar president Poetin. ,,Ik hoop dat de staat de nucleaire veiligheid eens serieus gaat nemen. De beveiliging komt nu uit het budget van Krasnojarsk-26. En dat heeft geen budget.''

Pavel Morozov van de Chemische Mijnbouwcombinatie ontkent glashard dat de actievoerders de opslag hebben bereikt. Hij beschrijft wachthuisjes met kogelvrij glas, rode alarmknoppen, kazernes vol wakkere troepen. Onmogelijk, kortom. Maar de videobeelden spreken toch voor zich? Morozov raakt geïrriteerd. ,,Ik was erbij toen de reactoren in 1958 van start gingen, hoeveel noodsituaties ik niet heb meegemaakt! En dan moet ik me zorgen maken om wat modieuze terroristen. De muren van de opslag zijn twee meter dik, de brandstofstaven liggen in vijftien van elkaar gescheiden baden.'' Een potentiële radioactieve catastrofe van twintigmaal de omvang van Tsjernobyl, zoals Greenpeace beweert? Morozov: ,,Als ze het dak opblazen krijgen we wat lekkage. Een klein ongemak. Dat ruimen we wel op.'' Gewoon met de handen, denkt Anatoli Mamajev, net zoals toen hij nog veiligheidsexpert was bij Krasnojarsk-26. ,,Mankracht genoeg. Sinds Tsjernobyl is er hier niets verbeterd. Maar ja, Siberië is ver weg.''