De angst van Jung voor het wilde Afrika

Carl Jung ligt op de grond, Afrikanen pellen hem uit zijn kleding, trekken hem een rieten rokje aan en smeren hem in met verf. Een zwarte man zet teder zijn bril weer recht. Er weerklinkt hypnotiserend getrommel, zang en dans. Even later ligt Jung in de armen van een vrouw met zes borsten en een hyenakop.

Toen psycholoog Carl Jung (1875-1961) in 1925 op safari ging door Kenia en Oeganda voelde dat als `thuiskomen'. Zijn ideeën over droomduiding, symbolische oerbeelden, het collectieve onbewuste – de oerbron waaruit wij allen putten – sloten prachtig aan bij het animistische geloof en het magische wereldbeeld van de primitieve bevolking. De Zuid-Afrikaanse regisseur Brett Bailey maakt een voorstelling over deze reis: Safari: Carl Jung under African Skies. Het is de openingsvoorstelling van het Wereld Muziek Theater Festival, dat tot en met 20 april in 19 Nederlandse en Vlaamse steden wordt gehouden. Bailey was vorig jaar ook in Nederland met een enerverende maar wat simpele satire over de Oegandese dictator Idi Amin.

Negentien halfnaakte Afrikanen en een bruine kip bevolken dit keer het podium. Ze zijn rood beschilderd, gekleed in traditionele dracht. Tussen hen Carl Jung (wat stijf en karikaturaal gespeeld door Geatan Schmid) in een wit tropenpak. Hij stelt zich voor als droomdokter, maar de Afrikanen weigeren uit angst hun dromen te vertellen. Ze willen hem wel inwijden als medicijnman. Zoals psychologie-studenten verplicht zelf in analyse moeten, zo moet Jung ook eerst in behandeling. Wat volgt zijn eindeloze rituelen waarin hij behoorlijk gemangeld wordt, tot hij verkleed als wildeman staat mee te dansen. Jung vind het niet alleen geweldig, hij wordt ook bang, om zichzelf te verliezen. Een zwarte met een blank carnavalsmasker – met een enorme kromme neus – verstoort het ritueel. Tijd om naar huis te gaan. Terug in Europa waarschuwt Jung voor Afrika; te veel contact met de zwarten zal het blanke brein doen verpulveren.

Jungs beeld van Afrika past in de koloniale literaire traditie, waarin kritiek op het gehaaste, ontwortelde Europa hand in hand gaat met een romantische verering van de nobele wilde. Deze bewondering is vaak gemengd met diepe angst voor de `ander' en zijn grote geheimzinnige macht. Bovendien weet de koloniaal diep in zijn hart dat hij de inheemse onderdrukt en dat deze eens wraak zal komen nemen. Dit beeld van de koloniën zegt altijd meer over de Europese romantiek dan over de werkelijkheid en is onderwijl een beledigend clichébeeld geworden.

Je zou verwachten dat Bailey de verering van Afrika zou relativeren, maar dat doet hij niet. Uit het stuk en uit de begeleidende tekst blijkt dat hij ook vindt dat Europa (en het westerse theater) is ontworteld, te rationeel is; dat in Afrika brein, ziel en lichaam nog één zijn. Zelfs Jungs angst relativeert hij niet. Verder zit er een kloof tussen Baileys in de folder uiteengezette, `Europese' dramaturgische ideeën en de `Afrikaanse' voorstelling die uiteindelijk op het podium is gekomen. De betoverend mooie rituelen vol zang en dans krijgen alle aandacht, voor uitleg of drama is nauwelijks ruimte. Daarmee heeft de uitwerking van dit op zich briljante idee wat naïefs en plats. Het einde komt te abrupt en het mooie getrommel gaat, door gebrek aan context, na een tijdje wat vervelen.

Wereld Muziektheater Festival: Safari door Brett Bailey en Third World Bunfight. Gezien: 9/3 Stadsschouwburg Utrecht. Tournee t/m 24 maart. Inl. 020-6060950 of www.wmtf.nl