Calamiteit

De man die de breedbeeldtelevisie verafschuwde, had een groot vacuüm om zich heen geschapen. Hij was er het onzichtbare middelpunt van, terwijl honderden politiemensen om hem heen krioelden. De spanning steeg naarmate de middag vorderde. Wat was hij precies met zijn gijzelaars van plan? Hij was gek, hij had wapens, en dus was alles mogelijk.

Voor de toeschouwers was er maar op één punt een goed uitzicht op de afgeschermde Rembrandttoren mogelijk. Dat was op een lelijk pleintje annex parkeerterrein achter het Amstelstation. Daar zag je hoe de grijze monoliet zich in zijn volle lengte verhief boven de gebouwen van Philips en de Hogeschool van Amsterdam. Voor sommige ramen hingen opschriften met de tekst `We mislead'.

Er grensden maar twee huizen onder één kap aan het pleintje. Uit het rechterhuis kwam een vrouw met een jong hondje aan de lijn. Ze had de gordijnen voor de ramen dichtgetrokken om inkijk te voorkomen. Nooit had dit pleintje ook maar enige aandacht getrokken, nu stond het opeens vol met nieuwsgierigen, politiemensen en fotografen.

De vrouw trok het hondje aan een lange lijn achter zich aan. Het was een zwart hondje met een witte bef. Het bleef soms stokstijf staan, niet begrijpend wat de vrouw precies wilde. Sommige toeschouwers begonnen er zich mee te bemoeien.

,,Hoe oud is-ie?'' vroeg de man van een echtpaar.

,,Zeven weken.''

,,Hoe lang heb je 'm al thuis?''

,,Een paar dagen.''

,,Waar komt-ie vandaan?''

,,Uit een nest bij een gezin.''

,,Da's het beste'', zei de man met het aplomb van de kenner. ,,Je moet er wel op letten dat-ie maar naar één iemand luistert.''

De vrouw knikte. Haar lijn was tot het einde uitgerold, maar het hondje had er weer even genoeg van, het werd weerspannig van alle aandacht. Boven onze hoofden kwam een gele traumahelikopter aangegierd die in een grote bocht om de Rembrandttoren zwenkte.

,,Wat is het voor een ras?'' vroeg een jonge man met een witte basketbalpet op zijn dikke hoofd.

,,Iets van een husky, denk ik'', zei de vrouw. ,,Hij heeft een zwart en een blauw oog.'' Ze trok het hondje met kracht naar de goot.

,,Dat zie ik ook'', zei de man.

,,Denk je dat dat zo blijft?''

,,Ik denk het niet.''

Achter ons kwam een grote kobaltblauwe politieauto aangereden. Op de zijkant stond met grote letters: Calamiteitencontainer. De bestuurder parkeerde de auto aan de rand van het pleintje, er sprongen enkele agenten uit die naar de afzetting verderop liepen.

,,Verwen hem maar lekker'', zei de jonge man. ,,Als een kindje.'' Hij pakte het hondje op en zoende het midden op zijn snuit.

De lucht was nu vol met geluiden. Een brommer stoof het pleintje op, de traumaheli kwam weer over, opgeschoten jongens lachten, het hondje kefte.

Het enige wat we niet hoorden, was het schot waarmee de eenzame breedbeeldwreker zo'n honderd meter verder een einde aan zijn leven maakte.