Boekenbal in een bananenrepubliek

Schrijvers zijn sluitpost geworden in het boekenvak. Ze kunnen niet meer rekenen op hun uitgeverij en staan er daarom alleen voor. Dat is een verkeerde ontwikkeling, meent Herman Stevens. Uitgevers moeten weer voor hun schrijvers de straat op.

De liefde. Het CPNB had geen beter thema voor de boekenweek kunnen bedenken, na zo'n chaotisch jaar als 2001. Zelden is er in het boekenvak zoveel opschudding geweest, en hebben uitgevers zo weinig liefde voor het boek aan de dag gelegd. Na een periode van fuseren en splitsen en steeds grotere machtsconcentraties zien de letteren er niet meer hetzelfde uit.

Schrijvers schrijven nog steeds, maar hoe moet een uitgever zich voor hun werk inzetten als hij telkens over cijfers moet vergaderen met the powers that be? Ondertussen zijn redacteuren die hun auteurs een heel oeuvre trouw blijven zeldzaam geworden, want het is een ondankbaar vak dat slecht wordt betaald. Zo houden schrijvers geen toeverlaat meer over in de grote grachtenpanden. Schrijvers zijn zo langzamerhand een sluitpost geworden in het boekenvak, waar het steeds meer om omzet en marktaandeel draait. Natuurlijk, uitgevers hebben boeken nodig om omzet te maken, maar dan halen ze die titels net zo lief uit het buitenland. Dat spaart ook een hoop redactiewerk. Zo komt het dat onze boekhandels sinds de jaren negentig worden overspoeld met Amerikaanse bestsellers die zich moeiteloos laten `hypen'.

Grote bedrijven hebben grote hits nodig om rond te komen, en de opkomst van de bestseller in ons land loopt gelijk op met de schaalvergroting van de uitgeverijen. Het is immers makkelijker om honderdduizend exemplaren van één boek te verkopen dan te zorgen dat tien verschillende titels de tienduizend halen. Alleen met alle promotionele vuurkracht achter één boek bereik je het grote publiek. Toch heeft deze concentratie op de grote successen de uitgeverijen zwakker gemaakt. In de winkels worden de hits van het seizoen steeds hoger gestapeld, terwijl gerespecteerde auteurs die tot voor kort minstens de kosten terugverdienden, nu hopeloos onder de duizend exemplaren blijven hangen. En het maakt niet uit hoe goed hun werk besproken wordt. Want het kan het massapubliek ook niet schelen of de bestsellers slecht worden gerecenseerd. Zolang ze maar worden gehypt.

De republiek der letteren is een bananenrepubliek geworden, met uitgeverijen die alles inzetten op een paar sterauteurs, zodat ze in de problemen komen wanneer zo'n cash cow een paar jaar zwijgt. Zo was de jonge uitgeverij Vassallucci op sterven na dood, zo lang duurde het voor haar enige auteur met toekomst, Abdelkader Benali, zijn nieuwe roman afleverde. Maar ook een oud en deftig huis als Querido zit krap in de jaren dat Thomas Rosenboom en A.F.Th. van der Heijden zich stilhouden.

Schrijvers hebben geen last van de grote concerns, beweerde de nieuwe Meulenhoff-directeur Annette Portegies verleden najaar, toen haar hoofdredacteur Tilly Hermans er met de bekendste auteurs vandoor was gegaan. Het moederconcern kan een uitgeverij immers door de magere jaren heenhelpen. Maar wat goed is voor de uitgeverij, hoeft niet altijd goed voor de schrijvers te zijn.

De ervaring van de afgelopen jaren laat zien dat er een kwaad virus meegroeit met de concerns. Ze creëren meer problemen dan ze oplossen. Schrijvers schrijven, uitgevers zijn er om uit te geven, maar concerns zijn voornamelijk met concernvorming bezig. Met zichzelf. Jaren van reorganisaties bij PCM hebben de individuele uitgeverijen (Prometheus/Bert Bakker, Meulenhoff, Arena, de Boekerij, Vassallucci) flink geremd, want telkens kwam er weer een nieuwe reshuffle aan.

Hetzelfde proces begint zich nu af te tekenen bij de Veen-groep (Contact, Atlas en Veen), die, ironisch genoeg, een grote fusie met Bosch & Keuning beklonk in dezelfde zomer dat Tilly Hermans daar kleinschaligheid kwam zoeken. Resultaat: opnieuw schuivende panelen, organisatorisch navelstaren en grote sommen gelds die terwille van de efficiëntie over de balk worden gegooid. Ook bij de Weekblad Pers Groep (Bezige Bij, Arbeiderspers, Querido, Nijgh & Van Ditmar) hoeft er maar één man in de top met pensioen te gaan, en het hele concern kan ook de vluchtstrook op. Al die macht aan de top maakt de concerns wankel.

Het concernvirus beperkt zich niet tot de redactiekamers, want onze hele literatuur wordt er al jaren door geplaagd. De schaarste is onmiskenbaar. Schrijvers schrijven nog, maar het lijkt wel of het moeilijker is geworden om een overdonderend mooie roman te schrijven. Daarvan zijn er de laatste jaren maar weinig verschenen. En het is ook moeilijker geworden, omdat er nog maar weinig schrijvers zijn die zomaar door hun redacteur worden opgebeld voor wat bemoedigende woorden. Daar is geen tijd meer voor.

Schrijvers staan er alleen voor. Het heeft geen zin om naar een kleinschaliger uitgeverij te vertrekken, want hoe moet je je tegen de toekomst keren? Die komt toch wel. Van kleinschalige uitgeverijen is maar één ding zeker. Op een dag sluiten ze zich aan bij een concern, en ze zullen het niet eerst aan hun auteurs vragen.

Dat is het signatuur van de eenentwintigste eeuw. Schrijvers moeten niet alleen schrijven, maar ook hun eigen fanfare blazen, willen ze gehoord worden tussen het gebulder van de grote kanonnen. Daarvoor hoeven ze niet meer te rekenen op hun uitgeverij. De bestsellercultuur die uitgevers hebben gecreëerd, samen met een door cijfers geobsedeerde pers, zorgt ervoor dat de meerderheid van hun titels roemloos ten onder gaat. Ongelezen boeken. Iedereen kan boeken uitgeven, maar de kunst is een publiek voor schrijvers te vinden.

Op het Boekenbal vieren schrijvers met elkaar feest, maar de rest van het jaar heerst er een verbeten struggle for life. Het literaire middenveld wordt immers steeds kleiner, terwijl het vroeger het natuurlijk habitat was van alle schrijvers die we nu nog kennen. Couperus, Vestdijk, en Hermans zouden schrikken van de stapels die er nu in de winkels worden gebouwd. Nu is dat middenveld een oorlogszone, waar schrijvers ten koste van elkaar proberen door te breken.

Zo flakkerden het afgelopen seizoen telkens pseudo-polemieken op die geen ander doel hadden dan boeken verkopen. Zelfpromotie is een motor achter elke literaire polemiek, maar een beetje polemiek heeft minstens een paar ideeën om mee te schermen. Maar als het om puur overleven gaat, zitten die alleen in de weg. Zo moest de lezer wel weten dat Ilja Pfeijffer binnenkort met een roman debuteert, anders begreep je niet waarom hij onlangs in deze krant Gerard Koolschijns Griekse vertalingen zo fel afkraakte. Op dezelfde manier serveerde Joost Niemöller in HP/De Tijd Joost Zwagermans nieuwe roman af, want misschien hielp dat zijn eigen roman Broers omhoog. En als treurig dieptepunt sabelde Gerrit Komrij zijn oude vriend Hans Warren neer, al lag die op zijn sterfbed, omdat die De klopgeest niet zo positief had besproken.

In dit soort polemieken zijn er enkel verliezers, want elke winkelier weet dat je klanten alleen maar afschrikt wanneer je de concurrent zwartmaakt. Lezers willen geen schrijvers die er als standwerker bijklussen. Ze willen schrijvers die ergens voor staan. Alleen moeten die daarvoor wel de ruimte krijgen van hun uitgever. Daarom moet hij (veel van de beste uitgevers zijn trouwens vrouwen) de efficiency-jongens op afstand houden, en ouderwets voor zijn schrijvers de straat op gaan. Anders wordt onze literatuur een darwinistisch slagveld waar alleen de bestsellers overblijven.

Herman Stevens is schrijver. Zijn roman Gouden bergen staat op de longlist van de Libris Literatuur Prijs.