Troubadours waren te chic om zelf te zingen

De middeleeuwse troubadours zongen zelden en zwierven ook niet rond, zegt schrijfster Hanny Alders in een reisboek dat vandaag verschijnt. ,,Het is een geromantiseerd beeld waar niets van klopt.''

Het is de schuld van de negentiende-eeuwse Romantiek: in die tijd is het beeld opgeroepen van de middeleeuwse troubadour als zwervende zanger die zijn kost verdiende door in kastelen zijn deuntjes te zingen. Tot in de nieuwste editie van de Van Dale wordt de troubadour omschreven als een ,,(rondtrekkende) liedjeszanger die zichzelf begeleidt''. Ook Lenny Kuhr bezong die mythische zanger in het onstuimige De troubadour, waarmee ze in 1969 mede-winnares werd van het Eurovisie Songfestival.

Maar van dat geromantiseerde beeld van de troubadour klopt niets, zegt Hanny Alders in haar vandaag verschenen reisboek In het spoor van de troubadour: ,,Rondzwerven was in de middeleeuwen helemaal niet zo romantisch en bovendien waren de meeste troubadours van adel en hadden ze een vaste plaats aan het hof. Voor het zingen had hij de joglars, de zangers, die wel rondzwervende figuren waren. De troubadour was veel beroemder dan die zangers. En op hun beurt hadden de zangers meestal een paar muzikanten om hen te begeleiden. Ook het beeld van de zanger met de luit of de draailier op zijn buik klopt dus niet.''

Als schrijfster van historische romans, gesitueerd in de middeleeuwen, stuitte Hanny Alders al een jaar of tien geleden op de twaalfde-eeuwse Marcabru, die zich van joglar opwerkte tot troubadour. De research voor de roman die ze toen over hem schreef (,,fictie, gebaseerd op feiten'') en de reizen die ze daartoe maakte, vormen nu de basis voor haar reisboek. De route begint in Aquitanië, het zuidwesten van Frankrijk, doorkruist de Pyreneeën en eindigt in Zaragoza, waar de Moren hun sporen achterlieten.

Aquitanië (,,land van wateren'') vormde de bakermat van de troubadours. In het begin van de twaalfde eeuw vond men daar graaf Willem VII van Poitiers, tevens de negende hertog van Aquitanië, die door de kruistochten in aanraking was gekomen met de Arabische cultuur. Daaraan ontleende hij, aldus het relaas, een voor Europische begrippen volslagen nieuw inzicht: ,,Een man kan de liefde van een vrouw niet eisen, ze moet hem die vrijwillig schenken.''

Zo ontstond de hoofse lyriek, die volgens Hanny Alders niet wezenlijk verschilt van de liefdesliedjes van tegenwoordig. En die bestaat trouwens ook nog in allerlei beleefdheidsvormen: ,,Als een man anno 2002 een knieval maakt wanneer hij zijn vriendin ten huwelijk vraagt, herinnert dat aan de middeleeuwse troubadour die zich tot vazal, dienaar en ondergeschikte van zijn beminde dame maakte.'' De schrijfster gaf haar boek zodoende de ondertitel ,,een zoektocht naar de liefde'', en het verschijnt niet toevallig aan de letterlijke vooravond van de Boekenweek, die dit jaar in het teken van de liefde staat.

Om onderzoek naar Marcabru te kunnen doen, leerde ze Spaans en maakte eigen vertalingen van alle 45 verzen die van diens hand bewaard zijn gebleven. Voor haar reisboek vertaalde Hanny Alders ook liefdeslyriek die in het toenmalige Occitaans was geschreven. ,,Ik heb geen Occitaans gestudeerd, hoewel daar in Nederland wel een paar leerstoelen voor bestaan. In plaats daarvan heb ik een aantal Franse vertalingen naast elkaar gelegd, en getracht met mijn kennis van het Frans en het Spaans, en een woordenboek Occitaans, een goede interpetatie te geven. Waar ik bijvoorbeeld rekening mee moest houden, is dat er in sommige oudere vertalingen nogal wat is gekuist. Dan stond er bijvoorbeeld een stip in plaats van con, dat we nu nog in het Frans kennen. En ja, er bestaan ook een paar vertalingen van Ernst van Altena, die wel heel erg knap weergeven wat er is bedoeld, maar naar mijn smaak toch te vrij zijn. Ik wilde dichterbij de oorspronkelijke woorden blijven.''

Hoe er destijds werd gezongen, is volgens Hanny Alders nauwelijks bekend. ,,We moeten aaannemen dat de zangers volkse stemmen hebben gehad. De enige vocale scholing vond in die tijd plaats in de lithurgie, in de kloosters, maar daar kwam je normaal gesproken nooit meer uit. En we weten evenmin veel over de melodieën. De enige muzieknotatie die we hebben, is in de vorm van neumen. Maar de oudste dateren uit de dertiende eeuw, en dat was alweer een eeuw later. Soms werd er gebruik gemaakt van lithurgische melodieën die voor iedereen herkenbaar waren. Je ziet vaak: ,,naar de wijze van...'' – maar dan volgt er een titel die we óók niet kennen. Wat hedendaagse gezelschappen met dit repertoire doen, is interpreteren. Voor de uitvoeringen van Studio Laren zocht Marijke Ferguson, als de melodie onbekend was, naar een andere melodie waar de versmaten op pasten. Zo moet het soms worden opgelost.''

Zelf bespeelt Hanny Alders een zelfgebouwde kromhoorn en dulcimer in haar zeskoppige groep Kaas- en Broodvolk, die muziek maakt uit de middeleeuwen en de renaissance. ,,We zijn echt amateurs hoor. We spelen, zeg maar, alleen voor snarengeld. En we trekken het door naar de volksmuziek van nu. Je moet er altijd rekening mee houden dat de mensen deze oude muziek niet gewend zijn, en het moet voor hen wel een beetje aan te horen zijn.''

Haar volgende boek gaat over de Moren in Spanje, denkt Hanny Alders, want de middeleeuwen blijven haar bezighouden. ,,Het is de oertijd van de maatschappij zoals we die hier nu kennen. Zij waren de pioniers. De vormen van Europa zijn toen zo'n beetje bepaald. De wetgeving, de normen en waarden, de literatuur en de westerse opvatting van de liefde dateren uit die tijd. En ik zoek vaak naar de dissidenten in die geschiedenis, de lui die de moed hebben opgebracht om in verzet te komen tegen het gezag. Misschien omdat je die lijn zo goed naar het heden kunt doortrekken. Zulke mensen bestaan nog steeds en het bloedige geweld is ook niet verdwenen. Alleen de wapens zijn veranderd.''

Hanny Alders: In het spoor van de troubadour. Uitgeverij Conserve, E14