The Pudding is vooral leuk

Voordat ik mijn fantasie over Joost Bellaart de vrije loop wilde laten, ben ik zondagmiddag even naar het naburige hockeycomplex gefietst. Om mij wat meer in het edele spel van stick en bal te kunnen verdiepen, heb ik op advies van een collega die als de beste hockeyverslaggever geldt een bezoekje gebracht aan een hockeywedstrijd. En het moet gezegd: hockey bevalt me wel. Hockey heeft iets wat veel andere sporten niet hebben: het is vooral leuk.

Ik hoorde de hockeymeisjes voordat ze aan hun wedstrijd begonnen, dat het lekker hockeyweer was. Heb ik ooit voetbaljongens horen zeggen dat het lekker voetbalweer was? Ik voelde de frisse zondagwind en huiverde bij het idee dat ik met blote benen moest hockeyen. Ik verbeeldde me dat Joost Bellaart, tegenwoordig coach van het Nederlands herenteam, naast mij stond en vanaf de kant zijn stem liet schallen. Zoals hij eens de dames van hockeyclub Amsterdam naar de landstitel én de Europese clubtitel schreeuwde.

Hoe zou Bellaart hier hebben gestaan? Zou hij tegen dat mooie, mollige meisje met dat paardenstaartje en die door de wind rood aangelopen benen hebben gezegd: loop een beetje door met die dikke kont? Zou hij tegen de nerveuze keepster met die veel te grote beenbeschermers hebben gezegd: ben je al wakker, trut? Nee, zo is Bellaart vast niet. Zo doet een coach niet tegen hockeyers en zeker niet tegen hockeymeisjes.

Ik heb hem eens gezien, die Bellaart. Een gezellige man en een regelneef, zo bleek, die weet hoe je mensen tot elkaar kunt brengen en bijelkaar kunt houden. Veel verstand van hockeyzaken had hij volgens mij niet. Maar dat kon aan mij liggen. Op technisch en tactisch inzicht, om maar te zwijgen van sportpsychologisch besef, kon ik hem niet betrappen. Zou hij weten wat topsport is? Ik geloofde er niets van. Want Bellaart was een man die voortdurend zei: als je wilt winnen moet je goed spelen.

Informatie op het naburige hockeyveld leerde mij dat de positieve invloed van Bellaart op het gemoed van zijn elftallen niet onderschat mocht worden. Zo bleek dat hij eens de drijvende kracht was achter de successen van de dames van Amsterdam en later de heren van Klein Zwitserland. Hij was een man die van ego's een team kon maken. Voor Bellaart gingen de dames en heren door het vuur. Hij was dan wel geen hockeyman met wie de spelers en speelsters zich vereenzelvigden omdat hij zelf zo goed met bal en stick had kunnen omgaan, maar hij was een regelaar – een manager dus.

Dat is hij nog steeds, zo blijkt. Als bondscoach spreekt hij zijn spelers aan op hun eergevoel. Spelen in het nationale shirt is een eer. Hij stelde – zijn beperkingen onderkennend – een assistent aan die wel van de hoed en rand weet, een man met een verleden, die 's lands beste hockeyers kan vertellen over grote triomfen en hectische wedstrijden over topsport. Helaas heeft Bellaart niet de beschikking over spelers die de wereld kunnen veroveren. Buiten een bescheiden virtuoos als Teun de Nooijer is er geen hockeyer die zo'n stoere Duitser of Australiër aankan. Hij moet een team van ijverige stickdragers coachen die niet weten wat topsport is, wat het is om een oorlog te winnen, laat staan een duel om de wereldtitel.

Arme Joost. Onder zijn zonder twijfel bezielende leiding komt het team van Nederlands beste hockeyers niet uit boven het predikaat `leuk'. Hij wilde zo graag bondscoach worden, omdat hij zo ambitieus is. Maar om een succesvol bondscoach te zijn dien je meer te zijn dan een manager of een gezelligheidsdier. Dan dien je niet alleen over bijzondere spelers te beschikken maar ook over bijzondere talenten. Wanneer hij weer thuis is en op zijn woonboot in slaap wordt gewiegd door de golven van de Amstel, zal hij erover dromen coach te worden van het meisjesteam in mijn dorp. Want dat is leuk. Zoals zijn bijnaam The Pudding ook leuk.