Palestijnen in en buiten de kampen

De huidige Israëlische offensieven vestigen de aandacht op de Palestijnse kampen. Van de 2,6 miljoen Palestijnen in de sinds de oorlog van 1967 door Israël bezette gebieden zijn er ruim een miljoen als vluchtelingen geregistreerd. De overgrote meerderheid van de laatsten vluchtte uit wat nu Israël is of werd daaruit verdreven tijdens de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948. De overigen leefden al op de Westelijke Jordaanoever, in Oost-Jeruzalem of in de Gazastrook.

Van de vluchtelingen leven er volgens cijfers van de VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen, UNRWA, ruim 600.000 in vluchtelingenkampen, van wie tweederde in de Gazastrook. De grootste kampen zijn Jabalia en Balata in de Gazastrook, met respectievelijk 101.000 en 89.000 bewoners. De kampen op de Westelijke Jordaanoever zijn veel kleiner, Amari bijvoorbeeld telt 7.200 inwomers.

De situatie in de kampen, in feite dorpen en steden, is veel slechter dan die elders in de bezette gebieden. De Palestijnse leider Arafat recruteert er de agenten van zijn veiligheidsdiensten: hij betaalt zo weinig dat hij er buiten de kampen niemand voor kan vinden. Hamas en Islamitische Jihad hebben ook veel aanhang in de kampen: zij vinden er veel gehoor voor hun onverkort vasthouden aan het `recht op terugkeer'.