Het Midden-Oosten moet nog meer lijden

Voor een regeling tussen Israël en de Palestijnen is het nog te vroeg. Het gevaar van een uitgebreide oorlog is nog niet acuut genoeg om een interventie van Amerika en Europa af te dwingen. En zonder zo'n inmenging zal de strijd onverminderd doorgaan, meent Walter Laqueur.

De aanvallen en tegenaanvallen in Israël en op de Westelijke Jordaanoever nemen hand over hand toe – evenals het aantal slachtoffers. Hoe lang gaat dat nog door, hoeveel slachtoffers worden er nog gedood en verminkt tot er een staakt-het-vuren wordt bereikt en er een nieuw vredesproces op gang komt?

Er is geen antwoord. Hoe onmenselijk het ook klinkt, het conflict zal zijn loop moeten hebben totdat beide kampen zodanig hebben geleden dat de bereidheid tot een vergelijk ontstaat. Op het ogenblik is die bereidheid er niet. Elke poging van buiten om de gevechten te beëindigen zal mislukken of maar voor heel korte tijd succes hebben. Geheel afgezien van de menselijke overwegingen hebben tal van partijen er belang bij dat het geschil zich niet uitbreidt. Ze kunnen er zelf last van krijgen en het zal in elk geval de positie van de gematigde Arabische regeringen ondermijnen. De tegenstanders van een akkoord hebben er juist belang bij dat er geen vrede komt: landen zoals Iran en Irak. Maar het ligt niet voor de hand dat zij op grote schaal actief tussenbeide zullen komen.

De fatale fout van de Palestijnen is dat ze de staat hebben afgewezen die ze onder de VN-resolutie van november 1947 zouden hebben gekregen. Deze historische kans is gemist en de poging het rad der geschiedenis terug te draaien is gedoemd te mislukken. Als gevolg daarvan moesten honderdduizenden hun huis verlaten, die terechtkwamen onder Jordaans en Egyptisch bewind en later onder een Israëlische bezetting. De Arabische landen boden geen helpende hand om de Palestijnse vluchtelingen een nieuw tehuis te bieden. Hun solidariteit was voornamelijk retorisch; ze zouden beslist moeite hebben gehad om hen op te nemen en ze dachten een machtig wapen tegen Israël te hebben als ze de vluchtelingen in kampen nabij de grenzen hielden. De Verenigde Naties grepen in en de vluchtelingen in oorden als Gaza kregen voedselhulp, huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg. Dat gebeurde uit de grootste menslievendheid, het was bewonderenswaardig – en het verlengde het lijden. Gaza heeft zowat het hoogste geboortecijfer ter wereld en als gevolg daarvan is het politieke vraagstuk onhanteerbaar geworden. Deze oorden zijn nu de voornaamste broedplaatsen voor terrorisme en zelfmoordaanslagen en daardoor is een oplossing nagenoeg onmogelijk.

Het was een fatale fout van de kant van de Israëliërs om kort na de Zesdaagse Oorlog (1967) niet de – of bijna alle – bezette gebieden terug te geven. Voor die oorlog was er geen basis voor onderhandelingen met de Palestijnen omdat zij het bestaan van Israël als zodanig afwezen en hoopten dat die staat zou verdwijnen als ze maar lang genoeg wachtten en lang genoeg vochten. Na 1967 veranderde het imago van Israël ingrijpend en bleven de Arabische regeringen weliswaar verklaren dat ze niet met Israël zouden onderhandelen, maar zagen ze wel in dat ze het in de afzienbare toekomst niet konden vernietigen. Dat kon alleen maar een langdurig leerproces worden en de Israëlische regeringen hadden dit moeten helpen bekorten door de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook terug te geven – desnoods eenzijdig. In plaats daarvan stemden ze in met de bouw van nederzettingen die onnodig waren – en die zonder meer een blijvende economische schadepost zouden zijn. De voorstanders betoogden dat deze nederzettingen Israël zouden verdedigen. In werkelijkheid vormden ze een ondraaglijke last, want een aanzienlijk deel van de Israëlische strijdkrachten moest worden ingezet voor de verdediging van afgelegen en geïsoleerde nederzettingen en de wegen ernaartoe. Politiek was het Israëlische bewind over zoveel vijandige burgers een ramp; het bedreigde het democratische karakter van de staat en bracht grote schade toe aan het imago in het buitenland.

Een aanzienlijk aantal Israëliërs was tegenstander van de nederzettingenpolitiek, maar werd in de verdediging gedrongen door de godsdienstig-nationalistische mystiek die na de Zesdaagse Oorlog om zich heen greep en die het idee om de bezette gebieden op te geven politiek steeds moeilijker maakte. Als Israël een supermacht was geweest, zou een dergelijk gedrag na rituele protesten wel zijn vergeten. Maar Israël was geen grootmacht, iets dat de regeringen-Shamir, Netanyahu en Sharon nooit helemaal hebben ingezien.

Vooral schadelijk was de aanpak van de kwestie Jeruzalem. Door de gedachte dat Jeruzalem ongedeeld onder Israëlisch bewind moest blijven, werd een territoriaal conflict met de Palestijnen een godsdienstige confrontatie met de moslimwereld.

De overtuiging dat de staat Israël niet zou kunnen bestaan zonder de territoriale heerschappij over heel Jeruzalem was het zionisme tot 1967 vreemd. Pas met de golf van nationalistisch-godsdienstige mystiek werd dit een onderdeel van de officiële ideologie. Inmiddels is het weinig meer dan een waandenkbeeld, want de facto is Jeruzalem een gedeelde stad.

De Palestijnen is tientallen jaren door hun leiders wijsgemaakt dat er geen regeling zal komen zonder hun recht op terugkeer. Maar er is geen terugkeer mogelijk naar huizen en dorpen die niet meer bestaan, naar een land dat al overbevolkt ís, net zoals moslims die in 1947/48 zijn gevlucht niet naar India kunnen terugkeren (de preambule van de Indiase grondwet verbiedt dat), zoals Duitsers niet terug kunnen naar Polen of Tsjecho-Slowakije, of Grieken naar Turkije, of Finnen naar Rusland. Maar geen Palestijnse leider kan dit openlijk zeggen; er is geen vernuftige formule inzake deze bittere waarheid.

Aanzienlijke aantallen Israëliërs denken nog altijd te kunnen vasthouden aan de bezette gebieden – niet alleen de kolonisten weigeren te aanvaarden dat de meesten van hen hun huidige woonplaats zullen moeten verlaten. Het merendeel van de Palestijnen hoopt nog altijd dat ze de staat Israël toch nog een keer wegkrijgen en dat heel Palestina dan een Arabische staat zal worden. Het radicale islamisme leert hun dat er geen vrede met de ongelovigen kan komen – alleen een heilige oorlog tot het bittere einde. Ze weigeren te aanvaarden dat het hele idee van zo'n jihad dateert uit een tijd dat ruiters het met zwaarden tegen elkaar opnamen, voordat er massavernietigingswapens bestonden. Ze horen niet graag dat zelfs de profeet Mohammed bereid was een staakt-het-vuren met zijn vijanden te aanvaarden.

Hoeveel leed is er nodig zijn om een psychologisch klimaat te scheppen waarin de bereidheid tot een vergelijk aanwezig is – zo niet uit overtuiging dan wel uit zwakte? Dat is op dit moment onmogelijk te zeggen; het dagelijks leven gaat aan weerszijden nog altijd min of meer door, de publieke diensten functioneren meestal nog, de salarissen worden nog betaald. De geschiedenis leert dat de twee partijen pas weer zullen gaan praten als de zaak totaal op instorten staat. Zal er dan nog een Palestijnse leiding over zijn of wordt de Westelijke Jordaanoever door chaos overspoeld?

Is er niet een korte weg om tot een regeling te komen, ook al is die maar tijdelijk? Er is groeiende ergernis in Washington en groeiende verontwaardiging in de Europese hoofdsteden. Maar die ergernis en verontwaardiging zijn niet sterk genoeg om de betrokkenen te bewegen de praktische gevolgen te aanvaarden. Het zou betekenen dat er voor onbepaalde tijd een strijdmacht van vijftig- à tachtigduizend soldaten moet worden gestationeerd om toezicht te houden op een wapenstilstand en dat er vele miljarden moeten worden geïnvesteerd in de herhuisvesting van vluchtelingen uit Gaza en de vluchtelingenkampen. Voor de aanvaarding van een dergelijke betrokkenheid is het gevaar in het Midden-Oosten niet acuut genoeg – er is nog geen directe dreiging van een oorlog die zich uitbreidt en die cruciale Amerikaanse en Europese belangen bedreigt. Met andere woorden: ondanks al het gekerm in Europa en Amerika is er nog niet de bereidheid om zich met de zaak te bemoeien. Maar zonder een dergelijke inmenging zal zelfs een wapenstilstand nog geen week duren.

Walter Laqueur is verbonden aan het Centrum voor Strategische en Internationale Studies in Washington.